Riet

rietHet is een mooie dag, de zon schijnt aan een blauwe hemel. Het is begin maart maar dat lentegevoel is er al als ik de warmte van de zon op mijn gezicht voel.

Ik fiets de stad uit richting de Oeverlanden en kom voorbij de kleine begraafplaats aan het einde van de Sloterkade. Plotseling besef ik met een schok dat ik haar al lang niet meer heb gezien. Riet. Hoelang zal het zijn?
Was ze er van de zomer nog, vraag ik me af.
Het is me ontgaan, afgelopen zomer, maar nu weet ik het zeker, het is al een tijd dat ik haar niet meer heb gezien. Zeker één jaar.

Riet is een vrouw van rond de tachtig. Ze zat vaak op het bankje tegenover mijn huis in de zon, uitkijkend over het water. Maar ook in het Vondelpark kwam ik haar tegen, altijd op hetzelfde bankje bij de knotwilgen. Het boek rustte op haar schoot en ze las. Ook reed ze regelmatig met haar fiets op de kade of in het Vondelpark, onderweg ergens naar toe.

Ik ken Riet van het voorbijgaan.
Op een dag was ik bij haar gaan zitten op de bank bij het water en we waren aan de praat geraakt, de tijd was snel gegaan.
We spraken nooit af. Als we elkaar tegenkwamen maakten we tijd voor elkaar en pikten de draad weer op van het gesprek.
Ik vroeg meestal hoe het met haar kleindochter ging en zij hoe het met mijn boek was.

Ik graaf in mijn herinnering, waar hadden we het over gehad in ons laatste gesprek?
Dan weet ik het weer.
Ik had haar gezegd dat ik het zo goed vond dat ze zo ondernemend was, altijd onderweg, op haar leeftijd.
Ze had me schuin aangekeken en wat schamper gelachen.
`Ik moet wel, thuis wordt ik gek,` had ze gezegd.

Ze had me in één van onze gesprekken verteld dat haar zoon dood was, haar enig kind. Haar wangen hadden gebibberd en haar woorden waren onvast uit haar mond gekomen. Het leek alsof ze ineens heel klein werd, door haar rug die krom boog en haar hoofd dat iets naar beneden zakte. Ik had mijn hand op haar onderarm gelegd.
`Had hij kinderen?`had ik haar gevraagd.
Meteen was er iets in haar houding veranderd en ze keek me van opzij aan, haar ogen lichtten op.
`Eén voordeel heeft zijn dood mij gebracht.`
`Vertel?`
`Toen hij nog leefde had ik geen contact met mijn kleindochter, de moeder van zijn kind wilde dit niet.`
Er viel een stilte, ze ademde zwaar.
`Ze komt me regelmatig opzoeken, het is een schat van een meid, weet je wat ze laatst tegen me zei?`
Ik bleef stil in afwachting van haar woorden.
`Oma ik heb je zo gemist, vroeger toen ik klein was.`

Ik fiets de begraafplaats op. Een idyllisch plekje waar maar weinig Amsterdammers van weten en waar je in alle rust kunt  zitten. Ik zet mijn fiets in het rek en loop naar mijn favoriete bankje. Het is een bank wat rond de grote eik is gebouwd.
Als ik de hoek omloop zie ik haar zitten.
Riet, ze zit onder de boom in alle rust te lezen.
Ze kijkt op en lacht naar me.
`Je hebt me gevonden,` zegt ze.

3 comments

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *