Op de tram

20160930_114017Het is donderdagmiddag rond vier uur als ik aankom bij het Rembrandtplein. Vanmorgen toen ik vertrok van huis miezerde het, nu komt de regen met bakken uit de lucht. Een paar minuten later stopt tram vier en wijkt de deur voor me open, er stapt een man uit. Ik stap in en bots tegen een muur van mensen, ik wring me naar binnen. `De tram is vol, ` zeg ik tegen een vrouw die nog in wil stappen, ze heeft een plattegrond in haar hand. Een toerist. De trambestuurder knikt naar haar, het lijkt op een toestemming. Ik vind mezelf ineens erg onaardig, ze kan er nog bij, hij had dit goed ingeschat. De jonge vrouw wringt zich naar binnen en schuift een tien eurobiljet door de opening van het hokje. Hij geeft haar een kaartje en wisselgeld terug.

Als één ding me irriteert zijn het de toeristen die mijn stad bezoeken. Een jaar of tien geleden was het alleen tijdens de zomers of feestdagen druk in en rond de museums en terrassen. Nu is het altijd en overal druk in de stad en gedurende het gehele jaar.
Vroeger had ik last van toeristen als ze op het fietspad liepen. Nu duiken ze overal op. Ik wordt razend als een kluwen gehuurde fietsen me de weg versperren, zich wiebelend door het verkeer begeven. Ze nemen vaak het hele fietspad in beslag, rijden te langzaam of blijven staan als het stoplicht op groen springt. Bellen of roepen helpt niet. Maar niet elke toerist verplaatst zich in Amsterdam op een huurfiets, deze vrouw neemt de tram.

De trambestuurder is een lange magere man, hij zit ontspannen iets onderuitgezakt in zijn stoel en lijkt zich niets aan te trekken van de drukte in en buiten de tram. Zijn voeten zijn gestoken in sandalen. Ik heb ooit ergens gelezen dat trambestuurders en conducteurs zich strikt moeten houden aan de kledingvoorschriften, volgens mij horen er geen sandalen bij het GVB uniform en is het ook verboden om in een overhemd met opgestroopte hemdsmouwen rond te rijden. Deze man lijkt zich er weinig van aan te trekken, zijn onderarmen steunen op de leuning van de stoel, hij drukt af en toe op een knopje en laat de tram in een slakkengangetje door het verkeer heen glijden. Hij heeft een vriendelijk gezicht en fluit een deuntje voor zich uit.

We staan stil bij een halte. Een vrouwelijke stem met een Surinaams accent, klinkt door de microfoon.
`Niet zo dringen gewoon even plaats maken.`
De trambestuurder kijkt naar het kleine schermpje boven zijn hoofd dat de beelden van de mensen in de tram laat zien, hij bedient een knop waardoor het beeld verschuift, ondertussen sluiten de deuren zich en rijdt de tram al rinkelend weer een stukje verder.
`De zon schijnt voor en in ons allemaal,` klinkt er door de microfoon.
Ik moet lachen.
`Wat heeft zij nou?` hoor ik de trambestuurder zeggen en schudt met zijn hoofd.
`Ze heeft er zin in,` zeg ik.
`Ja, ja,` ondertussen bedient hij de knoppen en kunnen we zowaar een eind doorrijden.
We rijden over het Damrak, de bestuurder voert de snelheid op, we naderen onze eindbestemming.
`Hij ruikt de stal,` zegt de bestuurder, het is niet duidelijk tegen wie hij het heeft.Plotseling remt de tram, de mensenmassa deint mee, van links naar rechts en komt in het midden weer tot stilstand. De tram laat een heftig gerinkel horen.
`Idioot, stomme idioot,` schreeuwt de trambestuurder, hij kijkt naar buiten en wijst met zijn vinger naar zijn hoofd. Voor de tram zie ik een oudere dame, de schrik is van haar gezicht af te lezen.
`Toeristen, ze zijn een gevaar op de weg, laatst kwam er bijna één met zijn huurfiets onder de tram.`
We naderen het Centraal Station, de trambestuurder hoor ik alweer fluiten.
`We zijn bij onze eindbestemming, dames en heren, ik wens u een prettige en zonnige dag.`
Buiten regent het nog steeds.
`Die is gek,` hoor ik de trambestuurder mompelen.
`Fijne avond.` zeg ik tegen de bestuurder.
`Dat gaat wel lukken, mijn vrouwtje wacht elke avond op me met eten.`

Ik loop door de stromende regen naar tram 26 die me snel thuis zal brengen, deze tram heeft bijna de hele weg vrijbaan. De tramhalte staat bomvol. Ik wring me ertussendoor naar het afdakje en verover een plek waar ik droog kan staan. Ik kijk naar de trambaan, de rails is niet meer te zien door plassen die zich hebben gevormd.

Als ik een kwartier later richting mijn huis loop moet ik aan de woorden van de trambestuurder denken.
`Mijn vrouwtje wacht elke avond op me met eten,` had hij gezegd.
Mijn gedachten gaan uit naar mijn moeder, een herinnering die nooit zal slijten. Het is meer dan vijftig jaar geleden. Elke avond, stipt op tijd, stond het eten op de tafel en konden we aanschuiven.
Voor sommige vrouwen is er niets veranderd.

2 comments

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *