Verschillend

Tijdens de coronatijd maakte ik elke dag een wandeling, geen slechte gewoonte dus heb ik dit er ingehouden. De wandelingen zijn afwisselend en de tussenstop voor een kopje koffie is altijd genieten. Ik weet precies waar ze de lekkerste koffie verkeerd serveren.

Op een ochtend besluit ik naar winkelcentrum ‘Oostpoort’ te lopen, het is een mooie wandeling over de Amsterdamse brug, de luie trap afdalend, door het Flevopark een stukje stad dan ben ik er al. Op de hoek van de Pretoriusstraat  en de Linnaeusstraat,  tegenover het winkelcentrum, is een terras waar je heerlijk buiten kunt zitten, er staan houten banken met daarop schapenvachtjes en kacheltjes aan het plafond. Er heerst een huiselijke sfeer en ze hebben er heerlijke pistoletjes met groente kroket.

Ik loop aan de linkerkant de Amsterdamse brug op, in de verte komen twee mensen me tegemoet lopen. Als we elkaar naderen wijk ik uit naar rechts om ze door te laten. Dan duikt er plotseling een vrouw op, ze liep achter de mensen en wil net als ik passeren maar ik kan niet meer opzij, in de verte komt een fietser met hoge snelheid op me afgefietst. Ik blijf staan, de vrouw loopt tegen me aan en geeft me een duw, ik wankel. De fietser wijkt uit.
‘Nou zeg.’ hoor ik mezelf zeggen.
‘Kutwijf, je ziet me toch aankomen,’ snauwt de vrouw.
‘Jij, mij toch ook,’ snauw ik terug.
‘Jij hoort aan de andere kant van de brug te lopen,’ zegt de vrouw.
Ik loop door, ondertussen gieren de zenuwen door mijn lichaam.

Een herinner vult mijn gedachten. Het is langgeleden, mijn zoon Sanne zal tien geweest zijn. We waren op weg naar een vriendin en fietsten over de Admiralengracht  richting Bos en Lommer. Een auto passeerde en reed ons klem tegen de stoep. Sanne, reed voor me, hij vloog de stoep op en viel, ik raakte klem tussen de auto en de stoep. Ik gaf in een reflex  een klap op de auto, die direct stopte. Nog geen seconde later stond ik oog in oog met een bullebak die mij bij mijn jas greep terwijl hij me uitschold voor ‘tyfus-hoer’ en dreigde me in de gracht in te gooien.
Mensen stopten en bleven kijken.
‘De politie is gebeld,’ zei een man uit het publiek.
Als door een wesp gestoken liet de man me los, sprong in zijn auto en reed weg. Ik keek naar de persoon die deze toverformule had uitgesproken, hij zei:
‘Meestal werkt dit.’
Vijf minuten later stapte ik met knikkende knieën op de fietst en we hervatten onze tocht de Admiralengracht af, Sanne die altijd voorop reed bleef naast me rijden, mijn hand rustte op zijn rug.

Eenmaal op het schapenvachtje achter mijn pistoletje groente kroket met koffie verkeerd kan ik niet stil zitten, net als mijn gedachten die niet te stoppen zijn. De vrouw duwde mij en ging, net als de man die mij beetpakte over mijn grens. De bibber zit nog in mijn lichaam en mijn maag speelt op.

Diezelfde middag zit ik in de hal van het OLVG. Het is er druk, er is nog één stoel vrij naast de draaideur. Ik zink neer in de kussens van een luxe stoel, mijn armen leg ik op de leuning.  Ik heb nog even de tijd voor ik aan de beurt ben voor een bloedprik, gewoon een check of alles oké is. Ik heb nog steeds of alweer last van mijn keel en ben te vaak verkouden. Ik voel een hoestbui opkomen, eerst is het een ingetogen hoestje waarbij mijn schouders iets schudden, alsof ik daarmee mijn gehoest kan temperen. Maar deze hoest houdt niet zomaar op en al helemaal niet als ik mijn best doe om het in te houden. Het barst los, een lichte paniek maakt zich van me meester. Een vrouw komt van achter de balie naar me toegelopen en vraag of ik een glaasje water wil.
‘Ja graag. Wat ontzettend aardig van je,’ zeg ik.
‘Graag gedaan hoor meid,’ zegt ze vriendelijk. Even later glijdt het water door mijn keel en stopt het hoesten.
De vriendelijkheid van deze vrouw ontroerd me, ik zucht. Haar zorg krijgt meer betekenis door mijn ervaring met de vrouw op de Amsterdamse brug. Twee vrouwen, zo verschillend van elkaar, ze raken allebei iets in mij.

Het leven verrast me elke keer weer.