Terug

Na drie maanden zet ik weer voet op eigen bodem en rijden we rond middernacht het eiland op waar ik woon. Het lijkt niet meer op de plek die ik heb achtergelaten. Rondom het gebouw waar ik woon zijn de huizen afgebouwd en hebben mensen hun intrek genomen. De woningen die bij mijn vertrek in de startblokken stonden hebben het hoogste punt bereikt. Voor mijn toekomstige woning, de Aktropolistoren, zijn de steigers weggehaald, de lege gaten gevuld met glas en de balkons geplaatst .

De eerste dagen zijn het vooral de grijze luchten die mij opvallen, geen wolk of zonnetje laat zich zien. Maar ik heb zoveel blauwe luchten en zon gezien dat het me niet uitmaakt. Zelfs de vrieskou zou ik wel even willen voelen. Hoe was het ook al weer, handschoenen, sjaal en je winterjas aan. Me niet soepel kunnen bewegen door de lagen kleren die ik aan hebt getrokken tegen de snijdende wind.
Hoe heerlijk is het dan om thuis te komen in een warm huis om laagje voor laagje af te pellen om daarna in joggingbroek en trui op de bank neer te ploffen met de kachel nog een streepje hoger. Ik zou het wel even willen meemaken, maar de winter laat zich niet meer zien.

Opgetogen loop ik een paar dagen later naar de kelder voor een weerzien met mijn fiets. Het is niet zomaar een fiets maar de gazelle van mijn overleden moeder, oud en niet stuk te krijgen. De fiets heeft al die maanden in een ongezellige fietsenstalling op mij staan wachten, weliswaar in gezelschap van andere medeweggebruikers maar toch, een fiets wil nu eenmaal bereden worden. Ze heeft er duidelijk onder te lijden gehad, met een zachte band als gevolg. Als ik er wat lucht in pomp, stelt ze mij niet teleur en rij ik het eiland af.

Ik fiets richting het centrum, de Amsterdamse brug over en kijk over het uitgestrekte water van het Amsterdam- Rijnkanaal. De trappende beweging maakt me vrolijk en de wind die zich tegen mij keert deert me niet.
Ik nader de stad, steeds meer mensen moeten dezelfde kant op, ik stop voor het stoplicht dat verspringt. Een man rijdt door rood en kan nog maar net een auto ontwijken, een luid getoeter is het gevolg.

Wachtende op het groene licht bij het Frederiksplein, wringt een vrouw zich tussen mij en de stoep, de ruimte is te klein en onze sturen raken elkaar.
`Gaat ie lekker?`
Ze reageert niet en kijkt voor zich, ik zie haar neusvleugels bewegen en haar gezicht langzaam rood worden.
Als het licht op groen springt schiet ze als een pijl uit een boog weg en snijdt ze me af.
`Verdomme, trut,`schreeuw ik haar na.
Boven haar schouder zie ik een middelste vinger tevoorschijn komen.

Na een bezoek aan een vriendin fiets ik weer terug en moet halverwege afstappen omdat de weg is opengebroken, werklui bezig zijn met de bestrating.
`Goedemiddag heren, `zeg ik.
`Goede middag jongedame.`
`Nou, nou, jongedame,` zeg ik lachend.
`Ik kan toch niet `goedemiddag `oude taart` zeggen, je moet altijd beleefd blijven.`
`Oude taart?`
`Geintje, daar kun je wel tegen, toch?` zegt hij in het plat Amsterdams.
Ik blijf staan kijken hoe hij de tegels afbreekt tot het juiste formaat en net als ik weer door wil fietsen hoor ik een stem achter me:
`Ja, ga lekker asociaal op het midden van de stoep staan, trut.`
Een jonge vrouw in een jogging broek en leren jas met een Dirk van den Broek tas in haar hand, passeert me.
`Hé, oude taart, beetje dimmen?` roept de stratenmaker haar na. Ze loopt door en voor de tweede keer die middag zie ik een middelvinger boven een schouder tevoorschijn komen.

Ik ben weer terug in mijn Amsterdam.