Mijn stad

2015-03-14 12.28.06In de Rozentuin in het Vondelpark, rond een uur of tien zitten vaak dezelfde mensen. Verscholen onder laaghangende takken zit een man, zijn fiets ligt in de struiken. Zijn handen omklemmen een dampende beker, op de grond staat een thermoskan. Op schoot iets wat op een broodje lijkt, af en toe neemt hij er een hap van. Schuin tegenover hem staat een gezette Surinaamse meneer, hij heeft een versleten joggingbroek aan van een opvallende kleur blauw met gele strepen aan de zijkant. Hij doet oefeningen, zijn handen rusten op de bank terwijl hij zijn lichaam opdrukt, het kost hem zichtbaar moeite.

De oefeningen die de twee heren op het vierkante stukje gras in het midden van de Rozentuin doen, zien er soepeler uit. Ze beoefenen Thai-Chi.  De sierlijke bewegingen lijken soms te blijven hangen in de lucht, tergend langzaam gaan ze gelijk op in de beweging.  Ze lijken te dansen.
Op het andere stukje gras liggen hun fietsen in elkaar gestrengeld.

Soms neem ik het ooievaarslaantje, elk jaar worden daar ooi-jongen geboren, in het ooievaarsnest hoog op de paal die midden in een stukje weiland staat.
Langs dit laantje tref ik regelmatig de man met de elektrische tandenborstel. Het mechanische geluid overstemt de andere geluiden van het park. In een traag tempo beweegt hij de borstel in zijn mond.

Diezelfde avond rond negen uur fiets ik van het Zeeburgereiland in oost naar mijn huis in oud-zuid. Ik rij de Zeeburgerdijk af langs de molen de Sarphatistraat in, langs de Nederlandse bank, de Weesperzijde, links afslaand het Rijksmuseum onderdoor. Elke keer als ik hier onderdoor fiets ben blij dat de fietstunnel open is gebleven, een uniek stukje Amsterdam.

Het is altijd een feest als ik rond dit tijdstip, met de wind in mijn rug, door Amsterdam fiets. Met de jazzy klanken van een bigband in mijn oren, dans ik door de stad.  Soms als de muziek zo opzwepend is dirigeer ik met één hand het orkest en kan ik niet stil op mijn zadel blijven zitten. Niemand die vreemd opkijkt als in voorbij kom swingen. Op zulke avonden als ik de straten maar met een enkele fietser deel, zweef ik op mijn muziek door de stad en krijg ik het gevoel van vrij en onderweg zijn zomaar cadeau.

Ik zal Amsterdam niet meer verruilen voor een dorp aan zee, het wordt een eiland in het oosten van de stad, Amsterdam blijft mijn stad.
We horen bij elkaar.

Riet

rietHet is een mooie dag, de zon schijnt aan een blauwe hemel. Het is begin maart maar dat lentegevoel is er al als ik de warmte van de zon op mijn gezicht voel.

Ik fiets de stad uit richting de Oeverlanden en kom voorbij de kleine begraafplaats aan het einde van de Sloterkade. Plotseling besef ik met een schok dat ik haar al lang niet meer heb gezien. Riet. Hoelang zal het zijn?
Was ze er van de zomer nog, vraag ik me af.
Het is me ontgaan, afgelopen zomer, maar nu weet ik het zeker, het is al een tijd dat ik haar niet meer heb gezien. Zeker één jaar.

Riet is een vrouw van rond de tachtig. Ze zat vaak op het bankje tegenover mijn huis in de zon, uitkijkend over het water. Maar ook in het Vondelpark kwam ik haar tegen, altijd op hetzelfde bankje bij de knotwilgen. Het boek rustte op haar schoot en ze las. Ook reed ze regelmatig met haar fiets op de kade of in het Vondelpark, onderweg ergens naar toe.

Ik ken Riet van het voorbijgaan.
Op een dag was ik bij haar gaan zitten op de bank bij het water en we waren aan de praat geraakt, de tijd was snel gegaan.
We spraken nooit af. Als we elkaar tegenkwamen maakten we tijd voor elkaar en pikten de draad weer op van het gesprek.
Ik vroeg meestal hoe het met haar kleindochter ging en zij hoe het met mijn boek was.

Ik graaf in mijn herinnering, waar hadden we het over gehad in ons laatste gesprek?
Dan weet ik het weer.
Ik had haar gezegd dat ik het zo goed vond dat ze zo ondernemend was, altijd onderweg, op haar leeftijd.
Ze had me schuin aangekeken en wat schamper gelachen.
`Ik moet wel, thuis wordt ik gek,` had ze gezegd.

Ze had me in één van onze gesprekken verteld dat haar zoon dood was, haar enig kind. Haar wangen hadden gebibberd en haar woorden waren onvast uit haar mond gekomen. Het leek alsof ze ineens heel klein werd, door haar rug die krom boog en haar hoofd dat iets naar beneden zakte. Ik had mijn hand op haar onderarm gelegd.
`Had hij kinderen?`had ik haar gevraagd.
Meteen was er iets in haar houding veranderd en ze keek me van opzij aan, haar ogen lichtten op.
`Eén voordeel heeft zijn dood mij gebracht.`
`Vertel?`
`Toen hij nog leefde had ik geen contact met mijn kleindochter, de moeder van zijn kind wilde dit niet.`
Er viel een stilte, ze ademde zwaar.
`Ze komt me regelmatig opzoeken, het is een schat van een meid, weet je wat ze laatst tegen me zei?`
Ik bleef stil in afwachting van haar woorden.
`Oma ik heb je zo gemist, vroeger toen ik klein was.`

Ik fiets de begraafplaats op. Een idyllisch plekje waar maar weinig Amsterdammers van weten en waar je in alle rust kunt  zitten. Ik zet mijn fiets in het rek en loop naar mijn favoriete bankje. Het is een bank wat rond de grote eik is gebouwd.
Als ik de hoek omloop zie ik haar zitten.
Riet, ze zit onder de boom in alle rust te lezen.
Ze kijkt op en lacht naar me.
`Je hebt me gevonden,` zegt ze.

Veerhuis

imagesEen rustige zondagmiddag in het Hospice. Het miezert buiten. Een regen die je nauwelijks ziet maar voelt zodra je buitenkomt.
Het loopt tegen vijven.
We zitten met zijn vieren aan de ronde keukentafel en drinken thee. De theepot op een lichtje, een schoteltje chocoladekoekjes daarnaast.

Een vrouw, haar moeder ligt op kamer drie, steunt met haar ene arm op de rand van de tafel en met haar andere op een stok. Ze heeft een opgeblazen gezicht, dat komt door de medicatie, heeft ze mij verteld.
Ze heeft haar hoofd naar de andere bezoeker gebogen.
Het is een vrouw van dezelfde leeftijd, ze is tenger, heeft grote blauwe ogen in een lang gezicht. Haar moeder ligt op kamer twee.
De vrouw met de stok praat, de andere vrouw luistert, knikt en trekt af en toe haar wenkbrauwen op.
`Ik wacht al eeuwen op een scootmobiel. Wat willen ze nou, dat ik thuis blijf zitten. Nu gaat het nog wel maar zo meteen kan ik nergens meer naar toe. Ze begrijpen niet hoe het is om zo te moeten leven, een hel is het. Niemand die rekening met me houdt.`
Ze gaat steeds sneller en harder praten, de woorden lopen voor haar uit, haar hoofd beweegt alle kanten op.
De andere vrouw buigt zich voorover en breekt met harde stem door haar woorden heen.
`Een positieve instelling brengt je verder in het leven.`
Er valt een stilte.
De vrouw kijkt haar met grote ogen aan.
`Jij weet niet hoe het is. Jij weet niet hoe het is….jij weet dat niet…..`
`Je komt met een negatieve instelling niet veel verder, dat is mijn ervaring.`
`Ik ben diegene die gediscrimineerd wordt, niet jij.`
`Omdat ik me niet laat discrimineren,`ze spreekt haar woorden tergend langzaam uit.
De vrouw met de stok staat plotseling op, even lijkt het alsof ze haar evenwicht gaat verliezen, maar kan op tijd steun vinden bij de tafel. Ze begint met haar stok te zwaaien.
`Jij discrimineert, jij gaat ook zo om met mensen zoals wij.`
Ze loopt tierend richting de gang, draait zich in de deuropening om en krijst.
`Je moet maar zo zijn als ik dan zul je wel anders denken, jij weet niet hoe het is om ziek te zijn.`
Met haar stok tikkend op de grond schuifelt ze de gang door richting de tuin.

Ik sta op en loop haar achterna.
Ze staat geleund tegen de muur en trekt verwoed aan een sigaret. Ze begint meteen tegen me te praten.
`Ik kan er toch niets aan doen dat ik ziek ben, af en toe gebeurt er iets in mijn hoofd en dan explodeer ik.`
Ik leg mijn hand op haar schouder en ze begint hartverscheurend te huilen.

Als ik terugkom in de keuken zit de andere vrouw nog aan de keukentafel.
`Hoe gaat het?` vraag ik.
`Het was niet mijn bedoeling haar zo van streek te maken.`
`Dat snap ik.`
`Ik wilde haar alleen maar vertellen waar ik zelf zoveel aan heb gehad, het is…….`
Ze begint te lachen. Het is een vreemde lach. Niet één waar je vrolijk van wordt of die je mee doet lachen.
Even plotseling als het begon stopt het.
Het is even heel stil.
`Ik ga naar huis, even mijn moeder gedag zeggen.`
Ze draait zich om en loopt de keuken uit.

Het is een week later, kom ik de keuken binnen.
Dezelfde vrouwen staan in het midden van de keuken met de armen om elkaar heen. Ik hoor een ingehouden gesnik.
Een van de moeders is overleden.

Wennen hé?

1402934718y6cdzOp een dag is ze mijn leven binnen komen fietsen, sindsdien duikt ze regelmatig op als ik in het Vondelpark loop, ze begroet me alsof we de dikste vriendinnen zijn. Zodra ze me ziet rijdt ze op me af en gaat voor me staan, haar fiets tussen de benen, armen leunend op het stuur. Ze neemt altijd ruim de tijd voor onze ontmoeting, wat mij niet altijd goed uitkomt. Als ik haar in de verte aan zie komen fietsen, is mijn eerste reflex om weg te duiken, een zijpad in, of desnoods me achter een boom te verstoppen.

Ik ontkom nooit aan haar blik, ze ziet me altijd en begint vanuit de verte al met een breed gebaar naar me te zwaaien. Ze heeft een vollemaansgezicht met een altijd zonnige uitstraling. Als ze voor me staat kijkt ze me met een verwachtingsvolle blik aan: `jij hebt mij vast iets leuks te vertellen.`
`Waar kennen wij elkaar eigenlijk van?` vroeg ik haar op een dag.
`Gekkie, dat weet je toch wel!`
`Nee, ik heb me suf lopen denken.`
`Hier, we kennen elkaar van hier, het park.`
`O.`
`Verder niet.`
`Dat hoeft toch niet, schat.`

Gisteren fietste ze me voorbij. Ik herkende haar aan het dunne staartje wat onder haar roze muts vandaan kwam. Opgelucht loop ik verder, vandaag komt een praatje met haar me niet goed uit. Plotseling hoor ik haar stem,`goh, ik herkende je bijna niet, ben je naar de kapper geweest?`
Ze blijft naast me fietsen en kijkt me aan met haar altijd vrolijke gezicht met die eeuwige lach rond haar mond.
`Apart, hoor.`
`Dat zeggen mensen wel vaker als ze iets lelijk vinden,` zeg ik geïrriteerd.
`Wat vind je er zelf van?`
`Het mag wel wat langer.`
`Ja, hé, wenneeeeeen, zo anderssss.
Ik reageer niet, versnel mijn tempo.
`Waar is je hond.`
`Hij is dood.`
`Echt, dood?`
`Half dood kan niet.`
`Oh.`
`Wennen, zeker?`
`Ja, ik laat mezelf nu uit.`
Ze giechelt.
`Apart.`
`Ja, als je het niet erg…`
`Nou ik ga maar weer,` onderbreekt ze me.
Ze fietst het pad af, het lijkt erop alsof ze ineens haast heeft.

Een week later op hetzelfde punt fietst ze me voorbij.
Ze kijkt even achterom en roept naar me.
`Vandaag heb ik geen tijd, dag.`

Schrijven

pen 2`Wat doe jij eigenlijk?` werd mij laatst gevraagd. Ik ben voor de eerste keer op vrijdagochtend aangeschoven voor het koffie-uurtje na de meditatie. Ik ken deze mensen alleen in alle stilte dus zo’n vraag had ik niet verwacht. Ik kijk naar de vrouw, die me verwachtingsvol aankijkt.
`Uhhh, ik schrijf,` ik betrap me erop dat mijn stem iets onvast  klinkt.
`Goh, wat leuk, maar wat doe je voor werk?`

Ik heb er aan moeten wennen mezelf schrijver te noemen. Wanneer kan ik schrijven mijn werk noemen vroeg ik mezelf af. Moet ik daarvoor eerst gepubliceerd hebben. Maar als je ervoor kies om in alle anonimiteit te schrijven, ben je dan geen schrijver, is het dan geen werk?
Ik hoorde laatst iemand zeggen: `Ik schrijf om het schrijven zelf.`
Wat hij zei spreekt me aan en past ook bij mij, met één verschil dat hij niet gelezen wil worden.

Ik wil wel gelezen worden. Het script van mijn eerste jeugdboek ligt te wachten in de la om uitgegeven te worden. Ik hecht er waarde aan dat dit boek door de doelgroep wordt gelezen. Mijn tweede jeugdboek is in wording en natuurlijk mijn blog waar ik mijn verhalen op kwijt kan en die met plezier gelezen worden.

Ik ben een schrijver. Omdat ik kijk met de ogen van een schrijver, ik speel met de taal, boetseer de zinnen tot een goed eindresultaat. Ik ben een schrijver omdat ik me door de stemmen in mijn hoofd laat verassen, ze laat bewegen, ze de ruimte geef te praten met elkaar zodat er een dialoog ontstaat. Ik mijn vingers op het toetsenbord laat bewegen, zodat eruit het niets iets kan ontstaan. Ik ben een schrijver omdat ik er gelukkig van wordt.

`Mijn belangrijkste werk is schrijven,` zeg ik tegen de vrouw.
`Heb je al gepubliceerd.`
`Dat gaat gebeuren.`
`Laat hé!`
`Wat bedoel je?`
`Debuteren op jouw leeftijd.`

Wat doe jij eigenlijk?
Ik ben schrijver, of het nu wel of niet gezien wordt als werk, dat is voor mij van ondergeschikt belang. Belangrijk is om te geloven dat ik een schrijver ben, en dat ben ik zolang ik schrijf.

Traan

naamloosHet loopt tegen het eind van de middag. Buiten is het grijs, de wolken hebben zich teruggetrokken, binnen is het aangenaam warm. Ik hoor buiten geschreeuw, sta op en loop naar het raam. Theo. Hij staat midden op de weg voor een auto, in zijn rechterhand een fles witte wijn. Hij maakt een proostgebaar naar de automobilist. De beweging brengt hem uit balans. Hij wankelt en kan zich nog maar net staande houden. Dan zwalkt hij de stoep weer op, struikelt over de stoeprand. De muur vangt hem op.

Theo is tien jaar mijn neefje geweest en zijn moeder mijn schoonzus. Ze woonden in de Tweede Jan Steenstraat in de Pijp. De vader van Theo was niet in beeld. Hij was een heroïneverslaafde die veel rond hing op de Zeedijk. Thea, zijn moeder, was manisch depressief en als ze werd opgenomen vanwege een psychose, logeerde Theo bij mij of bij een ander familielid. Dit gebeurde zeker één keer in het jaar.

Toen ik nog dagelijks in het park liep kwam ik Theo regelmatig tegen. Hij zat bij de vijver met zijn drinkmaatjes, omringt door rode plastic tassen.
Ook op die zonnige ochtend.
`Hallo.`
Hij had me al van een afstand gezien.
`Hoi, Theo, hoe gaat het?`
Ik kan zijn ogen niet zien door de zonnebril. Het glas schitterde me tegemoet en hij mopperde iets wat ik moeilijk kan verstaan.
`Hoe gaat het met Kees en Sanne?`
Hij stelt me altijd dezelfde vraag.
`Goed hoor.`
`Doe je de groeten?`
`Zal ik doen.`
`Niemand van mijn familie moet me.`
Theo bedoelt zijn ooms, tantes, ex-vrouw, drie kinderen. Op zijn achttiende was hij al vader van drie kinderen en op zijn achtendertigste grootvader.
`Je moeder toch wel?`
`Ja, die blijft.`
`Weet je nog?`
`Wat Theo?`
`Dat ik boven bij jou op zolder in bed lag te huilen.`
`Dat weet ik nog goed, wat was je verdrietig hé?`
Het blijft stil. Ik kijk naar hem en zie vanachter zijn zonnebril langzaam een traan over zijn wang naar beneden glijden.
Alles leek even stil te vallen, de sfeer van dat moment kon ik bijna aanraken.
`Theo, je huilt!`
We waren terug. Onder het puntdak van die klein zolderruimte, dat schokkende lijfje wat ik in mijn armen nam en zachtjes wiegde.

Nu, in het Vondelpark, kon ik niet anders dan mijn hand zachtjes over zijn wang laten glijden.
Plotseling slaat hij mijn hand weg.
`Niet waar. Rot op.`
Direct daarna stond hij op en liep naar de struiken.
`Hij moet even de plantjes water geven,`zegt de man die naast hem zit.
`Dag, Theo,` roep ik en loop door.

Ik kijk hem van achter mijn raam na. Het kost hem moeite vooruit te komen. Hij zwalkt van de ene kant van de stoep naar de andere kant. Verderop zie ik hem om de hoek verdwijnen.

Naar de Aldi

`Ik wil een paar boodschappen doen bij de Aldi.`
Meneer Vrom komt de keuken van het Hospice binnenlopen.
`Zal ik gezellig met u meegaan.`
`Ja, graag! Ik wil cola, want alleen koffie en thee is ook niet alles, en een plak witte chocolade.`
`Dat is goed meneer Vrom.`
`We moeten ook vijftig eurocent meenemen, want je mag zonder wagentje geen boodschappen doen.`
`Zullen we dan maar?`
`Hebben we vijftig euro cent?`
`Die heeft u net in uw zak gestoken.`
Meneer Vrom duikt met zijn rechterhand in zijn zak. Door de dunne stof zie ik hoe zijn hand beweegt. Dan valt het stil en haalt hij het muntstuk naar boven en houdt het triomfantelijk omhoog, waarna het direct weer in zijn broekzak verdwijnt.
`Zo nu kunnen we gaan.`

We lopen stapje voor stapje richting de Aldi.
`Ja, voor de laatste dagen wil ik toch een paar blikjes cola, want alleen koffie en thee, dat is maar saai, en voor Irene een stuk boterkoek.`
We schuifelen de hoek om.
`Het is zielig voor Irene, ze is in de war.`
Hij begint zachter te praten.
`Ik ga een beetje vreemd, omdat ik Irene soms een kusje geef. Als het aan Irene lag zou ik zo gaan scheiden, maar ik hou van mijn vrouw, ik heb een heel lieve vrouw.`

We steken over op het zebrapad. Een chauffeur stopt en lacht ons vriendelijk toe.
We zijn bij de Aldi.
`Ja een blikje cola is belangrijk voor de laatste dagen,` mompelt meneer Vrom in zichzelf.
Hij haalt een tien euro biljet uit zijn portemonnee en diept het vijftig eurocent muntstuk op uit zijn broekzak. De supermarktwagentjes zijn op.
`Zullen we dan maar zonder.` stel ik voor.
`Je mag geen boodschappen doen zonder karretje`, spreekt hij me ernstig toe.
`Vorige week zag ik iemand met alleen een boodschappentas, die is de winkel uitgestuurd.`
Als er een winkelkarretje beschikbaar is stopt Meneer Vrom plechtig het muntstuk in de gleuf.

Vijf minuten later staan we in een lange rij te wachten voor de kassa. Twee blikjes cola, een plak witte chocolade en een stuk boterkoek liggen er wat verloren bij in de grote kar.
`Het is toch vreemd hé, de dokter staat er ook van te kijken dat het zo goed met me gaat.`
Na een korte stilte gaat hij door.
`Ik ga weer naar huis maar eigenlijk ben ik heel ziek, ik heb het ook aan mijn hart.`
Hij zucht.
`Ik zie er tegen op om naar huis te gaan, daar heb ik helemaal geen privacy. Elk uur komt er iemand langs.`
`Zit je net te zoenen, wordt er weer aangebeld,` grap ik.
`Ja,` klinkt het wat aarzelend naast me.
Meneer Vrom overhandigd met aandacht het tien euro biljet als de vrouw achter de kassa het een bedrag noemt.

We lopen langzaam terug.
`Ik zal u missen,` zeg ik als we de Vincent van Goghstraat inlopen.
`Echt waar?`
In zijn woorden klinkt ongeloof.
`Ja, echt.`
Ik bevestig mijn woorden met een zachte druk tegen zijn arm.

Onder de boom

imagesIEM2X7QMHet is een dag in herfst. Overal staan half kale bomen, een tapijt van bladeren bedekt de grond. Donkere wolken pakken zich samen boven het park. Ik ben onvoorbereid van huis gegaan, geen paraplu en een dun spijkerjasje. Als de eerste voorzichtige druppels veranderen in een stevige bui zoek ik beschutting onder een boom.

Plotseling duikt er vanuit het niets een jongeman op, hij gaat naast me staan. Hij draagt een wit overhemd wat helder afsteekt tegen de donkerte van de glimmende bast. We kijken elkaar aan. Zijn groene ogen lachen me tegemoet. De lijnen rond zijn lippen lijken getekend. Hij straalt warmte uit.
`Wat denk jij?` vraagt hij.
`Wat denk ik?`
`Zou het nog lang duren?`
`Geen idee.`
`Ik heb om elf uur een afspraak.`
Hij kijkt op zijn iPhone.
`Ik ben vijf minuten te laat.`
Even is het stil.
`Ze gaat nooit onvoorbereid van huis, ze heeft een hele grote?`
`Een hele grote…?`
`Paraplu.`
`Ja natuurlijk,` giechel ik,
`Is het een belangrijke afspraak?` vraag ik.
`Mhuuuu.`
Zijn schouders maken lichte schokjes.
Het is zachter gaan regenen.
`Heb jij kinderen?`
`Een zoon.
`Fijn voor hem.`
`Fijn?`
`Dat hij….. ach…. laat maar, ik moet gaan.`
Hij loopt in een drafje het pad af.
`Veel plezier,` roep ik hem nog na.

Ik loop richting mijn koffieafspraak.
Als ik het bolle bruggetje passeer, bij het blauwe theehuis, zie ik hem opnieuw.
`Ze heeft afgebeld, zag geen verbetering.`
`Het is nu toch droog!`
`Ze bedoelt iets anders.`
Zijn woorden blijven tussen ons in hangen.
We lopen langs de uitgang van de P.C. Hooft.
`Ik moet er hier uit.`
`Je zoon mag blij zijn.`
`Blij?`
`Met zo’n moeder.`
Verrast kijk ik op en lach naar hem.
`Komt het goed met je moeder?`
`Mijn moeder is dood.`
`Sorry, ik dacht… toch echt……dat.`
`Ik had een afspraak met mijn andere moeder. Ik ben opgevoed door twee vrouwen. Ze waren al jaren gescheiden.`

Hij draait zich om en loopt mijn leven uit, even snel als hij mijn leven binnen is komen lopen. We komen elkaar nooit meer tegen, niet in deze situatie en niet onder die boom. Ik zie hoe hij bij de uitgang stil blijft staan en omkijkt. Hij steekt zijn hand op, ik zwaai terug.

Weerzien

Op station Lelylaan pak ik de intercity richting Vlissingen en neem plaats tegenover een vrouw die zichzelf aan het opmaken is. Ze klemt haar wimpers tussen een tang en houdt het een paar seconde vast zodat de wimpers omhoog krullen. Na wat gerommel in haar toilettas, pakt ze een mascararoller en strijkt deze langs de gekrulde wimpers. Daarna houdt ze een spiegeltje voor zich en bekijkt zich zelf van verschillende kanten.    
 
Het is elf uur vijfendertig als de trein het station van de luchthaven binnenglijdt. Een vol perron trekt aan mij voorbij. De trein stopt. Koffers rollen door het gangpad.
Een stel komt het gangpad ingelopen en gaat in de coupé naast mij zitten. Hij heeft blonde haren en een bruingetint gezicht waardoor zijn blauwe ogen oplichten. Zij heeft een lichte blos op haar wangen. Haar blonde haren komen in een staart uit een gat van een rode pet. De rugzak glijdt van zijn rug en komt met een plof op de bank terecht. Hij zucht.
De vrouw blijft voor hem staan, draait met haar heupen en kijkt op hem neer. Aan een touwtje bengelt een roze ballon met de woorden `Love you.`
`Pfffff`, zegt de man en kijkt uit het raam.
Dan laat ze zich met een kreungeluidje tegen hem aanvallen.
`Wat, schatje, wat?`
`Twee dagen onderweg.`
`Het huis is schoon, de kachel aan, en een lekker ontbijtje. Gezellig, dat je er weer bent, poepie.`
Ze schurkt tegen hem aan.
Hij slaat zijn arm om haar heen.

De vrouw tegenover me haalt een kwast en een doosje uit haar toilettas. Licht strijkt ze met de kwast een laagje rouge op haar wangen. Daarna volgen haar lippen die ze stift met een onopvallende kleur.

`Ben ik weer terug in dat grijns grauwe landje,’ zegt de man terwijl hij naar buiten kijkt.
`Bij mij.`
`Ja, dus!`
`Je klinkt als een soort vader.`
`Toch niet als jouw vader.`
`Nou zeg, wat is er mis met mijn vader?`
Hij laat een langgerekte geeuw horen, haar lippen bewegen tegen zijn wang.
`Je moeder belde je zus, weet je wat ze zei.`
`Hum.`
`Ik heb nu geen tijd voor je en toen hing ze op.’
De man reageert niet.
‘Toen belde je moeder mij…’
‘…waarom?’
‘Gewoon vertellen.’
`Annabel, ik heb al eerder gezegd, bemoei je er niet mee, het is iets tussen hun.`
‘Maar zij belde mij.’
‘De volgende keer gewoon ophangen.’
Het wordt stil.
Verderop klinkt het geluid van een telefoon.

De vrouw tegenover kijkt naar het stel, haalt haar wenkbrauwen op, die uit zichzelf een perfecte vorm en kleur hebben. Ze haalt haar handen als een kam door haar haren, maakt er een staart van en klemt ze met een handig gebaar vast op haar hoofd.

De vrouw geeft de man een kus. Deze keer blijven haar lippen lang op zijn wang plakken.
Door de intercom klinkt:
`Station Leiden Centraal.`
`We zijn er,` zegt hij.
Ze staan op en lopen het gangpad af, hij met de rugzak voor zijn buik en zij lopend op haar tenen met de ballon die lichtjes heen en weer beweegt.

De vrouw tegenover me probeert de rits van haar toilettas dicht te maken, ze schikt de spullen opnieuw en krijgt hem na veel getrek dicht. Terwijl ze haar zonnebril voor haar volmaakt opgemaakte ogen schuift loopt ze haastig naar de uitgang.
Op het perron passeert ze het stel.

Zij helpt hem zijn rugzak opdoen, de ballon glipt uit haar hand en zweeft weg.
Hij zegt iets tegen haar.
Samen lopen ze naar de trap.
Zij Kijkt nog even om.

1 2