Van die dingen…

Ze sjezen met het bed, met mij in mijn blauwe operatiehemd,  door de ziekenhuisgangen. Voor en achter het bed een verpleegkundige, bocht naar rechts, bocht naar links, wachten op de lift, gangen door, de deuren zwaaien open, weer een deur. We zijn er…

Ik word de operatiekamer binnen gereden. Het is me meerdere keren overkomen, nog niet eens zo lang geleden maar… het is altijd anders, want elke minuut, seconde is anders. Het is de tijd die mij telkens opnieuw meeneemt naar een andere gedachte, een gevoel. Ik heb het niet voor het zeggen, nu niet en in mijn leven niet, ik weet nooit hoe het volgende moment zal zijn, niemand weet dit. Wie heeft het bedacht dat de kanker zich opnieuw zou nestelen, een warm plekje in de buikwand zou opzoeken om daar te groeien. Ik heb daar geen invloed op. Wel op hoe ik ermee omga, het vertrouwen koester, mij overgeef aan deze deskundige mensen, ervan uitga dat ze het goede met mij voorhebben.

De operatiekamer is een felverlichte ruimte met apparaten sommige stralen iets uit, lijken licht te geven, sommige maken een zoemend geluid.
Ik kijk om me heen en zie een geoliede machine, mannen vrouwen in grijze, blauwgroene uniformen, ze lopen door elkaar heen, zoef, zoef… bukken, reiken en ze bevestigen van allerlei zuigertjes op mijn lichaam. Ze vertellen wie ze zijn en wat ze doen en oeps, weer een plakkertje.

Ik word overspoeld met… wat… is dit voor een gevoel? Het komt dicht in de buurt van dankbaarheid met een tikkeltje melancholie. Het idee dat al deze mensen zich over mij ontfermen, dat ze over mij waken, bij mij blijven. Ze zijn er allemaal voor mij, wanneer overkomt dat je nou?

Dan opnieuw de vraag die altijd gesteld moet worden door de behandelend arts: ‘Wat gaan we bij u doen?’
‘Ik geef het goede antwoord.’
Hij knikt.
We kunnen door naar de volgende ronde.

Het plastic kapje dat boven mijn neus zweeft, die ze even later rond mijn neus en mond plaatsen, een stem die zegt… wat zegt ze ook alweer… iets met zuurstof.
Weer een andere gedachte, een overtuiging nu, dit keer ga ik het wel meemaken dat ik langzaam wegzak, niet zo plotseling van de wereld ben, maar traag, zodat ik kan genieten van de roes. Maar ook dit keer lukt het me niet erbij te blijven.

Floep, weg ben ik.