Er ligt een drol voor de balie van de receptie. Een groepje mensen van het Flevohuis staat er omheen, een
enkeling buigt het hoofd richting de bruine hoop.
‘Is dit nou van een hond?’ vraagt een vrouw die steunt op haar rollator.
‘Natuurlijk niet, zegt een meneer met een wandelstok, hier mogen geen honden komen.’ Even lijkt het of hij met zijn stok in de drol wil prikken maar zich op tijd bedenkt.
‘Maar… het kan toch… niet…?’ halverwege haar zin stopt ze en kijkt de ruimte rond alsof daar het antwoord te vinden is.
De vrouw van de receptie buigt zich over de balie, ik zie hoe haar gezicht betrekt en ze van achter haar bureau vandaan komt. Ze buigt zich voorover en zegt:
‘Dit is een (te) perfect gedraaide drol.’
Een geheimzinnig lachje verschijnt op haar gezicht.
‘Gadverdamme, hoe komt die nou hier?’ zegt ze, haar verontwaardiging klinkt gemaakt, een mislukte poging het spel mee te spelen, maar met wie?
De schoonmaker heeft van een afstand het schouwspel bekeken en komt nu te hulp.
‘Laat mij maar,’ zegt hij.
Hij pakt met een stuk toiletpapier de drol van de vloer.
‘Weg drol,’ zegt hij.
Verbazing alom.
‘Jakkes, hoor ik iemand zeggen.
Het groepje valt uitéén en de rust keert weer.
Ik loop naar de lift, ik moet naar de tweede verdieping naar de afdeling revalidatie. Een vriend uit een ver verleden is hier opgenomen nadat hij is aangereden op de Prinsengracht, met als gevolg een gebroken enkel en pols. Ik werd op de hoogte gebracht door mijn zoon. Ook al hebben wij elkaar dertig jaar niet gezien het voelt meteen vertrouwd.
Na zijn tweede operatie zit er eindelijk schot in, vandaag gaan we naar het ziekenhuis en krijgt hij een moon-walker, loopgips en mag hij zijn been na vier maanden wat meer belasten en keert zijn mobiliteit en zelfstandigheid langzaam terug.
Na de vele ritjes die wij hebben gemaakt met het speciaal vervoer zijn we gewend geraakt aan de onregelmatige tijden waarop de bus zich aandient, soms lijkt er aan het wachten geen einde te komen, dan weer komt de bus te vroeg. Deze ochtend werd ik door Roland thuis gebeld dat de bus er al aankwam, ik sprong op de fiets richting het Flevohuis, wat net over de Amsterdamseburg ligt.
Voordat we in de bus stappen moet Roland naar het toilet. Als we daar aankomen zegt een vrouw:
‘Ik ben voor.’
Ze is zichtbaar geïrriteerd, boos, omdat ze moet wachten tot de schoonmaker klaar is, ze wipt, draait, briest, zucht en trekt haar kleding recht.
Als de schoonmaker klaar is haast ze zich de wc in maar komt er direct briesend weer uit.
‘Hé, er ligt hier een drol in het toilet,’ roept ze naar de man die met zijn schoonmaakkar langzaam richting de lift loopt. Ik loop de wc binnen, het is dezelfde drol die voor de balie lag.
‘Het is een nep-drol, je kunt hem zo oppakken,’ zeg ik tegen de vrouw.
‘Nee, dat moet hij doen,’ ze wijst naar de man die zich halverwege omdraait en zijn hand opsteekt.
‘Laat ons dan voorgaan,’ zeg ik tegen de vrouw.
‘Nee, geen sprake van.’
Ze staat met haar handen in de zij, leunend tegen de open deur alsof ze zichzelf moet verdedigen terwijl er niets te verdedigen valt. Ik draai de stoel met Roland en rij weg om op zoek te gaan naar een ander toilet.
Als we even later op weg naar de uitgang langs het toilet lopen staat de schoonmaker ons op te wachten en laat ons lachend de plastic drol zien. Het lijkt of hij onze goedkeuring wil voor de grap waarmee hij die dag niet zo’n succes had. Ik heb niemand zien lachen en de meeste die de drol zagen bleven hangen in schrik, ongeloof of waren boos.
Ook onze goedkeuring krijgt hij niet. We groeten hem in het voorbijgaan, het busje wacht. Hij blijft achter met de drol in zijn hand en een brede lach op zijn gezicht. Hij heeft niet door dat zo’n grap in dit huis met ook dementerende ouderen wat misplaatst is. Met de namaak drol in zijn hand, zijn lachende gezicht ziet het er wat onnozel uit, het woord flapdrol past hem wel.