Met Roosje van zestien moet ik naar de dierenarts, haar bloed moet regelmatig worden gecontroleerd, ze heeft een te snelle schildklier. Dit keer gaan we met de bus die voor de dierenkliniek stopt. Roos protesteert als ik haar oppak, onder een klagend gemiauw duw ik haar billen met kracht in de kooi opgesloten worden, weg van je veilige huis, de lawaaierige, boze wereld in om geprikt te worden in je poot. en sluit het af met het tralieraampje. Arme Roos, je zal maar
‘Het komt goed, Roosje,’ stel ik haar gerust.
Ik nader de bushalte, vrouwen van middelbare leeftijd staan in groepjes bij elkaar. Ze nemen met hun fysieke en verbale aanwezigheid het gehele bushokje in bezit. Niemand die daar tussen wil staan, of zitten. Ik loop langs ze en ga bij het instapvlak staan en zet de kooi met Roosje op de grond.
Het is één stem die boven het geluid uitkomt, die de boventoon voert, die het beter weet, die zich moet bewijzen, de rest zoemt er omheen. Ik vind het fascinerend maar ervaar het ook als beklemmend. Ik heb altijd moeite gehad met groepen, onder een sociale druk kunnen mensen zich onbewust anders gedragen, alsof ze uit zichzelf treden. In mijn pubertijd schaamde ik me voor de meiden die schreeuwend om aandacht tegen elkaar aan stonden te blèren, ik wilde daar nooit bij horen, toen niet en nog steeds niet.
De bus stopt, ik stap in en kies voor een plek dicht bij de uitgang, Roosje houdt zich rustig. Zodra de deuren zich sluiten en de bus zich in beweging zet gaan de vrouwen los.
Ze zingen: ‘Ik heb een wagen vol geladen vol met oude wijven.’ Er wordt gegild, gelachen. Een man, tegenover mij in het gangpad raakt in de verdrukking. Eén van de vrouwen gaat op het puntje van zijn schoot zitten en maakt een wippende beweging. ‘Het is maar een grap,’ hoor ik zeggen.
Waar heb ik dit eerder gehoord?
De man lacht wat schaapachtig, de vrouwen gieren het uit.
Wat is hier in godsnaam leuk aan, vraag ik me af.
Mijn fascinatie heeft plaatsgemaakt voor irritatie en ik wens dat ik snel bij mijn halte ben.
In de bocht van de Insulindeweg en de Molukkenstraat hoor ik de naam van de burgemeester van Amsterdam door de bus galmen.
‘Halsema is een kutwijf,’ wordt er geschreeuwd.
‘Een heks,’ schreeuwt een ander.
Geert Wilders heeft dit toch ooit tegen Sigrid Kaag gezegd. Blijkbaar kunnen deze vrouwen, net als Wilders, niet tegen vrouwen in een machtspositie. Het zijn vast PVV stemmers.
Ja, dit is een aanname.
Waarom zoveel haat, ik heb het nooit begrepen.
De man wil ook van zich laten horen.
‘Ja, een heks,’ hij kijkt glunderend om zich heen. ’Ze wil minder toeristen in de stad, wie bedenkt nu zoiets, de stad gaat daar kapot aan.’
Vlak voor mijn halte, op de valreep zeg ik:
‘Femke is een top-wijf,’ ik moet mijn stem verheffen om gehoord te worden.
Er klinkt gejoel, daarna in koor herhalen ze het woord ‘heks’ het galmt door de bus.
‘Dames, nu jullie koppen houden, er zitten meer mensen in de bus,’ hoor ik de stem van de buschauffeur door de microfoon zeggen. Nadat het stil is geworden zeg ik:
‘Femke is er voor alle Amsterdammers, ook voor jullie.’
Het blijft stil.
Ik stap uit. Een diepe zucht ontsnapt uit mijn keel als ik buiten sta en de bus wegrijdt.
Ik wacht bij het fietspad, een brommer komt met lawaai voorbij en ik hoor Roosje in de kooi miauwen.
‘Ja, ik ben er weer lieverd, stomme wijven hè, Roos?’
Ze miauwt.
Ze is het met mij eens.
Wat een heftige groep vrouwen , zeg !!
Hoop ze nooit tegen te komen.