Zwanen

Het is een leuke fietstocht vanaf het Zeeburgereiland naar het Waterlandplein in Amsterdam-Noord. De Wijkergouw is een landelijk weggetje, met een bol bruggetje over een slootje waar eenden, en sinds kort een zwanenechtpaar met hun vijf babyzwanen zwemmen. De rij huizen die er staan hebben een mooi uitzicht op een weiland met schapen en lammetje die dartelen in het weiland en bij hun moeder drinken, met hun snuitje stoten ze tegen de uiers.

Met beladen fietstassen fiets ik terug naar huis, vanaf de drukke weg het rustige pad op. Ik moet afremmen voor een boerderijwoning, midden op het pad zit een zwanenechtpaar zich uitgebreid te wassen.
Als ik naderbij kom zie ik de babyzwanen, met hun lichtbruine nestveertjes aan de kant in het zand liggen. Een van de zwanen ontlast zich en spuit poep op het asfalt om vervolgens weer door te gaan met de wasbeurt, zijn snavel duwt hij onder zijn veren. Ze nemen er de tijd voor.

Ik kan twee dingen doen of wachten, of omrijden, ik besluit te wachten, het schouwspel is een aangename afleiding voor de minuten die doortikken. Aan de andere kant staat een jonge vrouw, zij heeft duidelijk haast, ik zie het aan de bewegelijkheid in haar houding. Bij elke stap die ze naar voren maakt laat ze zich afschikken door een enkele beweging van de zwanen.
Ze weet vast ook dat zwanen agressief kunnen reageren als ze jongen hebben. Armen of benen kunnen breken met de kracht van hun vleugels.
Dus ook zij moet wachten op het moment dat het ochtendritueel is beëindigd en echtpaar zwaan besluit te verkassen.
Ik roep naar de vrouw:
‘Durf jij er ook niet langs?’

Natuurlijk weet ik het antwoord maar ik wil even contact. We bevinden ons allebei in dezelfde situatie en het liefst zouden we willen ruilen van plek. Als je gedwongen wordt samen de tijd door te brengen, wachtend op de tram of trein die uitblijft, maak je sneller een praatje, vaak gaat het samen met geklaag over het openbaar vervoer.
Dit is een ander soort wachten we kunnen niemand de schuld geven, het probleem kan niet worden opgelost door mensenhanden of je moet ze wreed wegjagen, maar wie doet dit nou.

Er komt een jongen naast me staan.
‘O,’ is alles wat hij zegt.
‘Ja, ze nemen het ervan,’ zeg ik.
‘Dat doen ze nooit!’ er klinkt een lichte verontwaardiging door in zijn woorden.
Hij kijkt me aan.
‘Ik slis een beetje, ik heb net een beugel gekregen.’
‘Ik hoor niets,’
‘O, dat is mooi,’ zegt hij.
‘Woon je hier?’
‘Ja, daar.’
Hij wijst naar het huis een paar meter verderop.
‘Ik rij wel om,’ zegt hij en fietst weg.

De zwanen zijn klaar met hun wasbeurt maar maken geen aanstalten om te vertrekken en zinken neer op het asfalt. Een man komt met grote snelheid aanfietsen en fiets langs de zwanen, een zwaan stijgt op, wappert met zijn vleugel, begint te blazen en hap naar zijn voet die hij op een haartje na mist. Direct daarop volgend komen er twee mannen aangereden in een scootmobiel, ze doen wat spottend over ons wachten en ook zij rijden met een rotvaart langs de zwanen.
‘Stelletje lomperiken,’ denk ik.

‘Je kunt voorzichtig door het gras lopen, met je fiets ertussenin,’ roep ik naar de vrouw. Ze probeert het maar laat zich opnieuw afschikken als de zwaan gaat staan. Na een tijdje besluit ik toch de omweg te nemen.
‘Dag, succes,’ ik zwaai naar de vrouw.
Ze steekt haar hand op.

Voordat ik afsla kijk ik om en zie dat de vrouw langs de zwanen is gelopen. Dat ze alleen achterbleef moet haar net dat zetje hebben gegeven.
‘Bedankt hoor, ik moet ervandoor, ben al veel te laat,’ zegt ze terwijl ze haastig langs me fietst.
Ik kijk nog één keer achterom en tot mijn verbazing zie ik dat het pad leeg is. Ik fiets terug, het zwanenechtpaar laat zich op hun gemakje de sloot inglijden, hun kroost volgt, het is tijd voor zwemles.

Rustig de tijd nemen voor het ochtendritueel, zoals zwanen doen, past bij mij. Maar je door niets of niemand laten (ver)storen, daar kan ik nog wel iets van leren.
Ik fiets op mijn gemakje richting huis.

Toerist

Bij de van Eehgenstraat kom ik het Vondelpark binnen en fiets richting het Kattenlaantje. Het is minder zonnig en warm dan de afgelopen dagen en het park is teruggegeven aan zijn dagelijkse bezoekers. Mensen die hun hond uitlaten, hardlopers, snelwandelaars, fietsers die het park doorkruizen op weg naar hun werk, ze zijn weer zichtbaar. De fietsende toeristen blijven in het park komen, door weer en wind met wapperende regencape bestormen ze het park op hun huurfietsen.
Ik rij langs de vijver, de fontein staat aan en spuit met kracht het water omhoog en daalt neer op het wateroppervlak. Ik hou van het geluid van het vallende water.

Een vrouw komt me tegemoet, ze beweegt zich half lopend, rennend mijn kant op maar haar poging snel vooruit te komen mislukt door de hoge hakken die ze draagt. Ze houdt haar hand omhoog, ik stop en haal mijn oordopjes uit mijn oren, de muziek speelt op de achtergrond verder.
`Damrak, is dat die kant op?` vraagt ze.
Ze wijst naar de uitgang van de P.C. Hoofdstraat.
`Nee, je kunt tram één pakken op de Overtoom.’ ik wijs richting het Kattenlaantje.
`Dan hebben ze me verkeerd gestuurd.`
Ze begint zenuwachtig met haar mond te trekken.
`Denk je dat ik het zal halen?`
`De tram gaat elke tien minuten.`
`Zal ik op tijd zijn?`
`Hoe laat moet je waar zijn?`
`Om elf uur moet ik de trein halen op Sloterdijk.`
`Dan kun je het beste de bus of metro nemen.`
`Maar ik moet eerst naar het Damrak.`
Ik kijk haar niet begrijpend aan.
`Ik moet mijn koffer in het hotel ophalen en dan naar de trein.`
`Hoe laat is het nu?` vraag ik.
Ze kijkt op haar horloge.
`Negen uur.`
`Heb je de koffers al gepakt?`
`Ja.`
Als vanzelf heb ik de moederrol op me genomen, hij past me nog prima.
`Ik loop wel even met je mee dan wijs ik je de tram. Vanaf het Damrak neem je de tram naar CS daar kun je de trein naar Sloterdijk pakken, dat moet lukken.`
`Weet je het zeker?`
`Niets is zeker.` zeg ik.
Ondertussen lopen we richting het Kattenlaantje.
Met snelle stapjes probeert ze me bij te houden, haar hakken brengen haar uit evenwicht.
`Waar ga je naar toe?`
`Naar Parijs.`
We komen aan bij het Kattenlaantje waar we bijna omver worden gereden door een fietser. Ze weet zich staande te houden door mijn arm te pakken.
`Leuk hé, Amsterdam?`
`Ja`, zegt ze volmondig.
Aangekomen bij de Overtoom wijs ik haar de halte van de tram.
Ze kijkt me aan, haar lip trilt een beetje.
`Je gaat het vast halen,` stel ik haar gerust. Even denk ik erover om haar verder te begeleiden, ze lijkt zo hulpeloos, maar ik heb een afspraak met een vriendin. Maar toch…
‘Gaat het lukken?’ vraag ik.
`Dankjewel.`

Ik laat haar achter bij de halte en zie in de verte de tram aankomen rijden, een man rent langs haar, dan pas begint ze ook te rennen. Het licht spring op groen en ik steek over. Als ik weer omkijk is de tram weg en de halte leeg. Ik zucht.
`Gelukkig ze heeft het gehaald`, hoor ik mezelf zeggen.

Ik koop een bos bloemen bij de stal op de Overtoom en loop terug naar het zebrapad om over te steken.
Er gaat een schok door me heen, de vrouw, ze staat aan de overkant naast een oudere man, hij houdt het portiek van een BMW voor haar open, zijn hand rust op haar rug. Niet veel later voegt de auto zich in het verkeer en verdwijnt uit het zicht. Het licht springt op groen en ik steek over met mijn gedachten nog bij de vrouw en kan alleen maar hopen dat ze Parijs zal halen.
Ik zal het nooit weten.