Verhalen

Mondkapje

Het loopt tegen één uur. Ik heb boodschappen gedaan en sluit me aan in de rij wachtenden. In de rij naast me staan twee werkmannen, ze dragen een overall, de naam van het bedrijf staat op hun rug. Ze hebben allebei een halve liter melk, broodjes en beleg in hun handen. Voor hen staat een man, hij draagt een zwart mondkapje, de koortjes trekken zijn oren naar voren en kunnen elk moment losschieten, het komt waarschijnlijk door zijn enorme baard die halverwege zijn borst reikt. De man heeft geen haast om zijn boodschappen in te pakken, hij lijkt op iets te wachten.
‘Dat is dan 5 euro 60 meneer,’ hoor ik de kassière tegen hem zeggen.
Plotseling klinkt zijn zware stemgeluid door de winkel.
‘Waarom moet iedereen een mondkappie dragen en een mandje meenemen en hun niet?’
Hij wijst naar de werklui die achter hem staan.

Het was mij niet opgevallen dat de mannen hun mond en neus niet hadden bedekt. Ik wil het ook niet normaal gaan vinden om iemands lach niet te kunnen zien, of een expressie op een gezicht te moeten missen. Ogen kunnen mij niet alles vertellen. Ik mis de glimlach van een onbekende, als we op hetzelfde moment een zakje willen pakken en elkaar weer tegenkomen bij de appels. Of een vrouw die het balkje tussen onze boodschappen zet waartegen ik lach. Een dankjewel samen met een glimlach geeft toch net ietsje meer kleur aan het leven.
Het is niet meer aan een gezicht te zien wat een leuke toevalligheid is of dat een gebaar gewaardeerd wordt. De glimlach of uitdrukking gaat schuil achter een stukje stof.
Vier maanden mochten we zonder een mondkapje, dus ik snap wel dat mensen het vergeten, maar de man met de baard zit op een ander spoor en stoort zich aan het mondkapjesbeleid van de supermarkt.

‘Daar ga ik niet over,’ zegt de kassière.
De man wendt zich tot de kassière van de rij waar ik in sta.
‘We zijn allemaal verplicht om zo’n stom mondkappie te dragen waarom hun dan niet?’
‘Ik ga daar niet over,’ zegt ook deze kassière.
‘Wie dan wel?’
‘Het is 5 euro 60, meneer?’ zegt de kassière voor de tweede keer.
Hij maakt geen aanstalten om af te rekenen. Ondertussen zwelt de rij aan, de mannen zonder mondkapje zwijgen alsof zij hier niets mee te maken hebben.
‘Wij allemaal moeten dat offer brengen waarom hun dan niet.’
De man verheft zijn stem en zwaait met zijn armen.

De bedrijfsleider, een jongeman van midden twintig, keurig in pak, met mondkapje is gearriveerd en stelt zich vriendelijk voor aan de man.
‘Ik ben Jeroen Smitse, de bedrijfsleider, misschien kunt u eerst even afrekenen, zodat de rij kan doorstromen.’
‘Ben jij de bedrijfsleider?’ zegt de man, in zijn stem klinkt ongeloof door.
‘Ja, ik ben de bedrijfsleider en ik wil u graag het één en ander uitleggen, maar u moet eerst afrekenen u houdt de anderen klanten op, dat kan toch niet uw bedoeling zijn!’
De man rekent af en loopt mee met de bedrijfsleider, ik sta op gehoorsafstand mijn boodschappen in te pakken.
‘Ik snap uw verontwaardiging maar we laten het aan de klant zelf om een mondkapje te dragen. Wij mogen niet handhavend optreden,’ zegt de bedrijfsleider.
‘Mogen jullie dat niet?’ reageert de man, er klinkt verbazing door in zijn stem, die een toontje lager is gaan zingen.
Ik kijk naar de mannen en heb oogcontact met de bedrijfsleider. Het waren niet alleen zijn rustige stem en de aardige woorden die de man hadden gekalmeerd maar ook zijn ogen. Ze keken ook mij van boven het mondkapje vriendelijk aan.
De man met de baard voelde zich gezien en gehoord.
‘Die stomme mondkappies, ik heb er zo de balen van en dan zie ik dat hun…’
‘Ik snap u wel, meneer.’
‘Fijn, nou…bedankt,’ zegt de man en steekt zijn hand uit.
‘Een elleboogje dan maar?’ zegt de bedrijfsleider, die zijn elleboog naar voren brengt.

Schaamte

In mijn puberjaren hoefde er maar iemand naar me te kijken of te wijzen en het schaamrood tekende mijn gezicht. Nu ik ouder ben  overkomt het me niet zo vaak, dat ik geen woord uit kan brengen, de schaamte van mijn teentje tot mijn kruin voelbaar is en mijn gezicht van kleur verschiet. Maar onverwacht duikt dat oude gevoel weer de kop op omdat een kassière van de Lidl mij confronteerde met mijn asociale gedrag.

Ik heb over het algemeen geen moeite met wachten, kan geduldig op de lift wachten, als het wat langer duurt, of voor een stoplicht dat maar niet op groen springt, of de Schellingwouderbrug die net open gaat als ik aan kom fietsen. Ook in een lange rij bij de supermarkt pak ik mijn Zen-momentje. Behalve…

…ik kan geen centimeter geduld opbrengen voor mensen die in een traag tempo de boodschappen op de band leggen, daarna hun boodschappen langzaam in hun tas doen. Pas als de kassière het bedrag noemt, drie zakken doorzoeken naar de pinpas om er vervolgens achter te komen dat het saldo ontbreekt en er contant betaald moet worden. Als het wagentje dan ook nog vergeten is, is mijn irritatie tot grote hoogte gestegen.

Dit staat namelijk lijnrecht tegenover de manier waarop ik mijn boodschappen afreken. Mijn boodschappen leg ik op de band, goed aansluitend aan de boodschappen van de klant voor mij, het boodschappenbalkje voor en achter mag niet ontbreken. Als mijn boodschappen gescand zijn leg ik ze terug in het karretje om ze later in de tas te doen. Met mijn pinpas in de aanslag kan ik direct afrekenen. Ik ben de snelste en meest kassière- vriendelijke klant, althans dat denk ik. Tegen mij kunnen ze nooit zeggen dat ik geen rekening hou met anderen. Ik ben een braaf meisje. Behalve…

De man voor me in de rij doet precies het tegenovergestelde. Hij is niet alleen traag maar hij gaat ook in discussie met de kassière over de hoeveelheid rollen vuilniszakken die ze heeft aangeslagen. De man snauwde naar haar:
‘Wat moet ik nu met zoveel rollen?’
De kassière bleef vriendelijk.
Toen het pin-moment aanbrak lukte het niet dus moest hij contant betalen. Na het betalen liet hij het supermarktwagentje staan zodat ik er niet door kon.
‘Neem je wagentje mee,’ snauwde ik hem toe.
De man mompelde een verontschuldiging en rolde het karretje naar zich toe, ik was snel en ramde mijn kar tegen zijn achterbeen, waarop hij ‘au’ zei.
Ik was te ver gegaan.
De vrouw achter de kassa keek me verbaasd aan en zei:
‘Goedemiddag mevrouw, wat doet u nu boos, deze meneer heeft gewoon meer tijd nodig?’
De grond zakte onder mijn voeten weg en het bloed steeg onder mijn mondkapje tot grote hoogte, leve mijn bescherming, en ik mompelde iets van een sorry. Mijn schaamte vierde hoogtij.

Fietsend over de Amsterdamse brug richting Zeeburgereiland dacht ik na over wat me zojuist was overkomen. De vrouw achter de kassa had mij betrapt en daar stond ik met een rode kop me te schamen over mijn ongeduld en oordeel over de man, die het gewoon even anders deed dan ik. Door haar opmerking kwam mijn oordeel bloot te liggen en glipte mijn schaamte ertussendoor.
Leer mij mijn schaamte kennen.

Accordeon

Ik ga de nieuwe uitdaging aan, jaren lag het te wachten tot de tijd rijp was om opgepakt te worden en tot bloei te komen. Het heeft alles te maken met de sterfdag van Hans een vriend, alweer achttien jaar geleden. Rond deze tijd denk ik altijd aan hem en aan de muziek die we uitwisselden. Twee jaar voor zijn dood ging hij accordeon spelen en deelde met mij zijn enthousiasme over het instrument.

Het kost me geen moeite om iets waar ik redelijk goed in ben op te geven. Het past gewoonweg niet meer in mijn leven. Ik speel niet meer zoals ik speelde mede omdat ik niet meer samen met andere muzikanten speel. De tijd, dat ik laat in de nacht, wiebelend op mijn fiets, met de saxofoonkoffer op mijn rug richting huis fietste ligt achter me.
Soms heb ik het nodig iets op te geven waar ik aan gehecht ben om plaats te maken voor iets nieuws. Een onbekend terrein te betreden, een uitdaging aan te gaan. Ik ben er klaar voor om mijn hersenen te laten kraken, andere klanken, grepen en toetsen te onderzoeken.
Het afscheid valt me niet eens zwaar, ik leg mijn tenorsaxofoon terug in zijn koffer dek hem toe en sluit de deksel en zet hem bij zijn voorganger de altsaxofoon, mijn eerste liefde.

Ik ga opzoek naar een leraar en fiets een week later richting het Muiderpoortstation, onder het station ligt een muziekschooltje. Zijn naam is Gerard, het is een man van middelbare leeftijd. Ik betreed de oefenruimte, boven mij raast een trein voorbij, de ruimte lijkt te beven. Er staat een muziekstandaard met daarop bladmuziek, een stoel ervoor en een accordeon ernaast. Ik ga op de stoel zitten.
‘Waarom stap je over op de accordeon, het is niet zo’n gewild instrument?’ vraagt Gerard, zijn stem kraakt een beetje.
‘De accordeon heeft een vrolijk geluid en je kunt er alle muziekstijlen op spelen. Wat vind jij dan?’ vraag ik.
‘De meeste mensen vinden het een oubollig instrument.’
Ik reageer niet op zijn opmerking en zeg:
‘Ik wil het liefst uit mijn hoofd spelen, ik bedoel…’
‘…dat kan niet,’ onderbreekt hij mij.
‘…uit mijn hoofd en op mijn gehoor,’ maak ik mijn zin af.
‘Kun je geen noten lezen?’
‘Jawel, maar…’
‘Ik geef alleen les vanaf bladmuziek.’ Na een korte pauze zegt hij: ‘Zing even wat hier staat.’ hij wijst naar de muziek op de standaard.
‘Ik kan niet zingen van bladmuziek.’
‘Je hebt jaren saxofoon gespeeld?’
Er klinkt verbazing door in zijn stem en in zijn voorhoofd verschijnt een rimpel.
‘Dat is geen zingen,’ zeg ik.
‘Vreemd, hoe kreeg je dan les?’
‘Direct van bladmuziek, geen gezang vooraf,’ giechel ik mijn ongemak weg.
‘Maar je moet de muziek eerst kunnen zingen voordat je het kunt spelen.’
Mijn hart begint sneller te kloppen en ik voel hoe het bloed zich naar boven pompt.
De seconden tikken weg, dan zegt hij:
‘Nou dan moet ik iets anders verzinnen.’

Even later rust de accordeon op mijn schoot en zet ik de vingers op de toetsen en speel de C tot de G terwijl ik de balg in en uittrek. Ik vind het goed gaan, er komen in ieder geval iets van tonen uit het instrument.
‘Nee, zo moet het niet,’ hoor ik hem zeggen.
‘Je vingers moeten op de toetsen blijven rusten.’ Ik kijk naar mijn vingers, mijn pink zweeft boven de G en ook mijn andere vingers rusten niet op de toetsen.
Ik doe mijn best en speel verder.
‘Let op je vingers,’ zegt hij, hij verheft zijn stem.

Ik word teruggeworpen in de tijd en hoor mijn zwemleraar die naar me schreeuwt dat ik niet snel genoeg zwem. Ga door, doorgaan blèrde hij. Deze man heeft dezelfde toon in zijn stem, ik ben weer dat meisje van tien jaar. Mijn maag trekt in een kramp, de druk in mijn hoofd zwelt aan, ik knal zowat uit elkaar. Ik moet er nu iets van zeggen.

Ik laat de riempjes langzaam van mijn schouders glijden, zet de accordeon op de grond en kijk hem aan.
‘Het gaat niet lukken tussen ons,’ zeg ik.
Ik zie de verbazing op zijn gezicht.
‘Ik heb hele goede referenties,’ zegt hij.
‘Jammer maar die krijg je niet van mij,’ zeg ik, ik sta op en verlaat de ruimte.
Even later loop ik opgelucht over het plein naar mijn fiets, ik maak zelfs een vreugdesprongetje, ik ben zo blij dat ik op tijd ben gestopt en niet net als vroeger ben doorgaan om uiteindelijk toch weg te gaan.

Het is een maand later en ik speel al vier liedjes op mijn accordeon: ‘Caja’, ‘Cissie’, ‘Clair’ en de ‘Moeder van Jacob’. Ik heb mijn leraar op YouTube gevonden. Hij heet Gerard Gerritsen en wijst mij met zijn filmpjes stap voor stap de weg in de wereld van de accordeon. Mijn vingers leiden nog steeds een eigen leven als ik speel maar het maakt mij niet uit er is niemand die het ziet.
Natuurlijk kijkt Hans met me mee. Hij luistert zonder oordeel of commentaar. Hij is trots op me en enthousiast dat ik over ben gestapt op zijn geliefde instrument.
Ja lieve Hans, ik ook.

Verschillend

Tijdens de coronatijd maakte ik elke dag een wandeling, geen slechte gewoonte dus heb ik dit er ingehouden. De wandelingen zijn afwisselend en de tussenstop voor een kopje koffie is altijd genieten. Ik weet precies waar ze de lekkerste koffie verkeerd serveren.

Op een ochtend besluit ik naar winkelcentrum ‘Oostpoort’ te lopen, het is een mooie wandeling over de Amsterdamse brug, de luie trap afdalend, door het Flevopark een stukje stad dan ben ik er al. Op de hoek van de Pretoriusstraat  en de Linnaeusstraat,  tegenover het winkelcentrum, is een terras waar je heerlijk buiten kunt zitten, er staan houten banken met daarop schapenvachtjes en kacheltjes aan het plafond. Er heerst een huiselijke sfeer en ze hebben er heerlijke pistoletjes met groente kroket.

Ik loop aan de linkerkant de Amsterdamse brug op, in de verte komen twee mensen me tegemoet lopen. Als we elkaar naderen wijk ik uit naar rechts om ze door te laten. Dan duikt er plotseling een vrouw op, ze liep achter de mensen en wil net als ik passeren maar ik kan niet meer opzij, in de verte komt een fietser met hoge snelheid op me afgefietst. Ik blijf staan, de vrouw loopt tegen me aan en geeft me een duw, ik wankel. De fietser wijkt uit.
‘Nou zeg.’ hoor ik mezelf zeggen.
‘Kutwijf, je ziet me toch aankomen,’ snauwt de vrouw.
‘Jij, mij toch ook,’ snauw ik terug.
‘Jij hoort aan de andere kant van de brug te lopen,’ zegt de vrouw.
Ik loop door, ondertussen gieren de zenuwen door mijn lichaam.

Een herinner vult mijn gedachten. Het is langgeleden, mijn zoon Sanne zal tien geweest zijn. We waren op weg naar een vriendin en fietsten over de Admiralengracht  richting Bos en Lommer. Een auto passeerde en reed ons klem tegen de stoep. Sanne, reed voor me, hij vloog de stoep op en viel, ik raakte klem tussen de auto en de stoep. Ik gaf in een reflex  een klap op de auto, die direct stopte. Nog geen seconde later stond ik oog in oog met een bullebak die mij bij mijn jas greep terwijl hij me uitschold voor ‘tyfus-hoer’ en dreigde me in de gracht in te gooien.
Mensen stopten en bleven kijken.
‘De politie is gebeld,’ zei een man uit het publiek.
Als door een wesp gestoken liet de man me los, sprong in zijn auto en reed weg. Ik keek naar de persoon die deze toverformule had uitgesproken, hij zei:
‘Meestal werkt dit.’
Vijf minuten later stapte ik met knikkende knieën op de fietst en we hervatten onze tocht de Admiralengracht af, Sanne die altijd voorop reed bleef naast me rijden, mijn hand rustte op zijn rug.

Eenmaal op het schapenvachtje achter mijn pistoletje groente kroket met koffie verkeerd kan ik niet stil zitten, net als mijn gedachten die niet te stoppen zijn. De vrouw duwde mij en ging, net als de man die mij beetpakte over mijn grens. De bibber zit nog in mijn lichaam en mijn maag speelt op.

Diezelfde middag zit ik in de hal van het OLVG. Het is er druk, er is nog één stoel vrij naast de draaideur. Ik zink neer in de kussens van een luxe stoel, mijn armen leg ik op de leuning.  Ik heb nog even de tijd voor ik aan de beurt ben voor een bloedprik, gewoon een check of alles oké is. Ik heb nog steeds of alweer last van mijn keel en ben te vaak verkouden. Ik voel een hoestbui opkomen, eerst is het een ingetogen hoestje waarbij mijn schouders iets schudden, alsof ik daarmee mijn gehoest kan temperen. Maar deze hoest houdt niet zomaar op en al helemaal niet als ik mijn best doe om het in te houden. Het barst los, een lichte paniek maakt zich van me meester. Een vrouw komt van achter de balie naar me toegelopen en vraag of ik een glaasje water wil.
‘Ja graag. Wat ontzettend aardig van je,’ zeg ik.
‘Graag gedaan hoor meid,’ zegt ze vriendelijk. Even later glijdt het water door mijn keel en stopt het hoesten.
De vriendelijkheid van deze vrouw ontroerd me, ik zucht. Haar zorg krijgt meer betekenis door mijn ervaring met de vrouw op de Amsterdamse brug. Twee vrouwen, zo verschillend van elkaar, ze raken allebei iets in mij.

Het leven verrast me elke keer weer.

Een nieuw leven

Een nieuw leven (1)

Een nieuw boek presenteren is een feest.
Slingers horen erbij, taart en champagne. Er worden toespraakjes gehouden en er wordt een stuk uit het boek voorgelezen. Ik kom niet onder dit alles uit, want ik wil dat mijn boek gelezen wordt.

Maar ik sla dit liever over, verschuil me het liefst achter mijn pc om te schrijven en uren door te brengen met mijn personages die onder mijn getyp tot leven komen.  Ik heb het gevoel dat ik leef als ik met de woorden in gevecht ben. Soms staan de letters stil, vind ik het ritme niet, vlieg ik uit de maat. Maar ook stilstaan is vooruitkomen weet ik ondertussen.
Het heeft even rust nodig.
Als ik in elk woord geloof wat ik heb opgeschreven, mijn personages onder mijn pen een gezicht hebben gekregen, het verhaal verteld is, kan mijn boek het levenslicht aanschouwen.

Het boek Bevroren bloesem wordt op 19 september 2021 gepresenteerd. Het is een indringend boek maar ook een inspirerend verhaal over een krachtige vrouw.
Het mag gewoon gelezen worden.

Je kunt het boek kopen bij uitgeverij Blooming: onder het kopje: ‘Bevroren bloesem’. Hierbij de directe link naar het boek.

Bevroren bloesem – Hannah Roelofson

 

Een nieuw leven (2)

Ik had de afgelopen tijd de leukste, gekste, mooiste verhalen kunnen schrijven over mijn avonturen in coronatijd. Maar het lukte me niet. Af en toe kriebelde het, na een coronabelevenis,  maar ik kwam niet verder dan een paar regels die zich aftekende op het witte vlak van het word-document. Ik had kunnen schrijven over de lange wandelingen die ik elke dag maakte, water rechts, water links, water voor en achter me. Het was het Waterland wat ik veroverde met mijn dagelijkse 10.000 voetstappen, met de mantra in mijn hoofd: ik blijf gezond, ik blijf gezond. Gedachten zijn krachtiger dan we denken, uitgaand van het positieve in plaats van angst de ruimte te geven, het heeft voor mij altijd goed gewerkt, dus ook in deze tijd. Ik bleef gezond.

Ik wilde ook graag schrijven over het nieuwe leven wat deel van mij werd maar kon ook dit niet vangen in woorden, misschien omdat ik het nog een tijdje voor mezelf wilde houden. Maar met het uitkomen van mijn boek is het de tijd om het te delen met mijn lezers.

Op 18 augustus 2020 ben ik grootmoeder geworden.
Mijn kleinzoon heet:
Lou Oeke Polder.
Ik ben super blij met dit lieve, innemende, vrolijke ventje dat mijn leven verrijkt.
Mijn lieve Loutje.

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

Schuld

Achttien was ik toen ik wegging van huis naar een vreemd land ver weg van mijn dorp. ‘Het kan zo niet langer’ waren haar woorden. ‘Er moet iets gebeuren,’ zei hij.
Ongemakkelijk was het, een niet te dragen spanning die als een deken over ons heen lag en ons steeds verder naar beneden drukte, we stikten in elkaars nabijheid.
Ik kreeg de schuld van dit ongemak, ik hield me niet aan afspraken, negeerde mijn vader en reageerde niet op de beschuldigingen van mijn moeder. Ik was een ontregelende puber, wilde niet gevormd worden door mijn omgeving, wilde mezelf niet kwijtraken, vrij zijn.
Ik ging naar een plek waar ik beperkt werd in mijn vrijheid, straf kreeg als ik mezelf liet zien in al mijn spontaniteit, genegeerd werd als ik me niet aan de regels hield. Vreemde ogen dwongen mij te luisteren en in het gareel te lopen. Toen ik weer thuis was liep ik in de pas, gevormd en gekneed tot een dochter die mijn ouders wilde. Ik had schuld bekend.

Mijn jeugd ligt ver achter me, maar het thema ‘schuld’ kleeft nog aan me. Door de jaren heen is de lijm losgelaten, de scherpe hoekjes zijn er van af maar toch…het blijft een gevoelig onderwerp en dringt met tussenpozen mijn leven binnen.
Mijn directheid en spontaan reageren (ik ben het niet kwijtgeraakt) kan confronterend en ontregelend werken voor anderen en de kans bestaat dat mensen zich ongemakkelijk voelen, boos worden en mij de schuld geven. Het kunnen harde beschuldigingen zijn die me raken en uit balans brengen, maar gelukkig niet voor lang.
Ik hoef niet meer door iedereen aardig gevonden worden.

Soms zijn de beschuldigingen zachter, als de windvlaag, die een piepklein-pakketje bij me aflevert. Ik maak het open omdat ik weet dat dit pakje niet die hardheid in zich meedraagt en mij niet persoonlijk raakt. Achteraf moet ik er om grinniken omdat het duidelijk is dat het niets met mij te maken heeft maar met de frustratie van de ander.
Zoals die ochtend in het Flevopark.

Het was druk in het park met mensen die hun hond uitlieten. Ik liep richting de uitgang met Rolf, de hond van een vriendin. Een vrouw kwam me tegemoet joggen, ze was al een paar keer angstvallig uitgeweken voor honden, ook toen ze Rolf zag. Ik had met haar te doen en mijn opmerking was oprecht en met goede raad aan haar:
‘Als je zo bang bent voor honden kun je rond deze tijd beter niet in het park komen.’
‘Honden mogen hier niet los,’ zei ze en rende er als en haas vandoor.
Op hetzelfde moment passeerde een oudere man mij, zijn hoed hing aan een touwtje losjes op zijn rug. Hij draaide zich om en zei:
‘Mevrouw, die opspringende honden zijn vervelend.’
‘Hij sprong niet,’ verdedigde ik mezelf.
Hij ging door.
‘Mevrouw, hij had kunnen springen, honden mogen hier niet los.’
‘In dit gedeelte van het park mogen ze wel los.’
Daar had hij niet van terug, dus gooide hij het over een ander boeg.
‘Mevrouw, ik ken jouw type,’ zei hij.
‘O, ja, vertel?’ vroeg ik, ik was oprecht nieuwsgierig naar zijn antwoord.
‘Mevrouw, het is ikke, ikke, alleen maar ikke.’
‘Waar baseer je dat op?’
‘Mevrouw, u houdt geen rekening met anderen. Je zou maar getrouwd zijn met een vrouw als u.’
Terwijl hij dit zei schudde hij met zijn hoofd, zijn hoed wiebelde mee op zijn rug.
‘Waarom blijf je mij mevrouw noemen en me aanspreken met u, terwijl je zulke lelijke dingen over me zegt? Je kent me niet eens,’ zei ik.
Hij liep door, de hoed op zijn rug zwiepte nu hard heen en weer, het was vast zijn woede die er via zijn rug uitkwam. Deze man was boos niet alleen op mij maar op de hele wereld.
Ik keek hem na tot hij om de hoek was verdwenen en gooide nog een keer de stok in het water, Rolf sprong er achteraan. Ik dacht na over zijn laatste woorden. `Je zou maar getrouwd zijn met een vrouw als u.’ zei hij.
Daar moest ik hem wel gelijk in geven.

Muziek

Het is veertig jaar geleden dat ik mijn eerste stappen zette op het pad van musiceren, ik kocht op afbetaling, een King alt saxofoon bij Muller in de Raadhuisstraat. De klanken van een saxofoon kon je lieflijk laten klinken maar ook rauw en stoer, dat beviel me. Geen idee dat er achter dit instrument een hele wereld van de geïmproviseerde muziek schuil ging. Eén jaar later, met de zenuwen in mijn lijf, stapte ik met mijn muziekkoffertje het Bimhuis binnen. Herman de Wit gaf daar elke maandagavond een open workshop, de Oktopedians. Voor het eerst speelde ik met andere muzikanten samen en begaf ik mij op het pad van de geïmproviseerde muziek. Mijn eerste solo bestond uit twee noten, piepend haalde ik de eindstreep. Herman zonk neer op zijn knieën en er werd door de andere muzikanten geapplaudisseerd.

Ik ben regelmatig gestopt met muziek maken. Hoe beter ik ging spelen, hoe kwetsbaarder ik werd voor de kritiek van anderen, hoe veeleisender naar mezelf. Het ging allang niet meer om het plezier maken in de muziek. Ik verlangde terug naar de momenten van het pretentieloos muziek maken, zoals bij Herman de Wit. Je hoefde niet goed te kunnen spelen, alle niveaus waren welkom. Het ging om de ervaring van het muziek maken zelf, niet om noten te kunnen lezen of snel kunnen spelen.

Vijf jaar geleden besloot ik definitief te stoppen met musiceren. Ik verhuisde, mijn saxen verhuisden mee. De muziekstandaard, met daarop het muziekstuk wat ik tijdens mijn laatste optreden speelde, stond in mijn slaapkamer en herinnerde mij aan een tijd die ik had afgesloten.

Maar niets is zo wispelturig als de relatie tussen mij en mijn saxofoon. Mijn verlangen wakkerde weer aan, ik wilde muzieknoten weer om zetten in muziek, mistte de lieflijke melodie, de donkere klank van de onderste tonen. Het beoefenen van toonladders in allerlei vormen en maten, het is een ontspanning, als een meditatie. Ik wil weer spelen, pakte mijn tenorsaxofoon uit de koffer. Het was een warm weerzien.

Vraag mij naar een ‘opnieuw beginnen’, het zullen er vele zijn in mijn leven als muzikant, niets was zo wispelturig. Ik speelde in zeven verschillende orkesten, van Big band tot Harmonie, van wereldmuziek tot en met het open Combo in de Engelenbak, op drie verschillende saxen, alt, tenor en bariton. Een muziekleven vol up en downs, momenten van euforie en diepe schaamte, arrogantie en bescheidenheid, overschatting en onzekerheid. Al deze gevoelens waren van onschatbare waarde. Dat is wat muziek met me doet, daarom kan ik het niet loslaten en omarm ik het telkens weer, alleen nu met minder pretenties.
Dat houdt langer stand.

Zielenpijn

Het is een grijze dag, de regen komt met bakken uit de hemel. Fietspaden zijn een tapijt van bladeren en de bomen hebben hun groene kleur verloren, takken zijn kaal gewaaid. De herfst doet zijn naam eer aan.

Elke donderdagmiddag volg ik colleges filosofie in de Thomaskerk in het zuidelijk deel van de stad. Ik bereid me voor op een tocht door de regen, regenjas met broek, het is een klein uurtje fietsen. Deze middag gaat het over verdriet en depressie. Het onderwerp heeft zich aan het weer aangepast, of andersom, het is maar van welke kant je het bekijkt.

Voorafgaand aan de les denk ik na over dit onderwerp. Ik ben een gezegend mens, ik heb weinig last van depressieve gevoelens. Verdriet ken ik wel, alleen het uiten daarvan heb ik nooit geleerd. Vroeger was het een ‘stil verdriet’, ingetogen gesnotter achter de mouw van mijn pyjama bij het voorlezen van een verdrietig boek.

Ik heb er vijftig jaar over gedaan voordat ik ongegeneerd en zonder schaamte mijn verdriet kon uiten. Ik ben het gaan waarderen, het geeft lucht, bevrijd en verbindt. De keren dat ik mijn tranen toonde aan een ander draag ik als een mooie herinnering met me mee. Tranen die over mijn wangen heen stoomden en een troostende hand die ze opving.

Ik fiets door de stad en denk aan mijn zoon die me op een vroege zaterdagochtend huilend opbelde. Een vriendin had die nacht een ongeluk gehad en lag in kritieke toestand op het IC van het AMC ziekenhuis. Jaren had ik geen tranen van hem gezien. Toen hij me weer belde waren het tranen van opluchting, ze heeft het gered.
Mijn gedachten gaan uit naar de laatste keer dat ik mijn tranen aan hem liet zien. Het was geen vluchtige ontroering die ik weg kon slikken maar een stroom aan emoties die nog uren nasudderden.
Het was afgelopen winter. We waren met vakantie op Kreta in Griekenland, het was de ochtend van zijn vertrek. We hadden de avond daarvoor ruzie gehad. Zijn woorden hadden me diep geraakt. Die ochtend bij het afscheid huilde ik.

Als ik aankom bij de Thomaskerk in Zuid regent het nog steeds. Vanaf mijn capuchon mengen de regendruppels zich met mijn tranen en glijden ze langs mijn wang naar beneden. De herinnering aan die ochtend laten mijn tranen weer stromen.
Ik ben klaar voor het college over verdriet.

Zo’n dag

Ik parkeer mijn fiets voor de Jumbo van het winkelcentrum Brazilië. Terwijl ik met mijn slot bezig ben komt er een jongeman ‘te dicht’ bij me staan.
‘Een gratis Parool, mevrouw?’ vraagt hij.
‘Nee,’ antwoord ik.
Hij doet een stap achteruit.
‘Een gratis Parool meneer?’ roept hij naar en een man die ons passeert.
De man reageert niet.
‘Een Parooltje, mevrouw?’ vraagt hij, opnieuw komt hij ‘te dicht’ bij me staan.
‘Ik zei ‘neen.’
Deze jongen werkt op mijn zenuwen, ik kijk hem met een vernietigende blik aan, als blikken hadden kunnen doden…
Het lijkt hem niets te doen, draait zich om en roept tegen een vrouw die verderop loopt.
‘Gratis Parool, mevrouw?’

Als ze op zijn aanbod ingaat zal hij meteen beginnen met zijn verkooppraatje. Dat is de rede waarom ik nooit een gratis krantje neem. De rollen worden meteen omgedraaid en ik moet de verkoper ervan overtuigen dat ik geen proefabonnement wil.
‘U kunt toch bijna niet zonder een echte Amsterdamse krant?’ zou hij zeggen.

Het is niet mijn dag vandaag. Met mijn verkeerde been…zoiets moet het zijn.
Het is zo’n dag waarop ik niets kan hebben en dan komt er zo’n arrogant knulletje tegen mij aan lopen zeiken met zijn miezerige krantje. Mijn humeur is tot het nulpunt gedaald.
Snel boodschappen doen en thuis op de bank met een kop thee een serietje kijken. Alsof dat helpt, nee dus, ik zal me alleen maar schuldig voelen dat ik wat voor de tv hang en niets nuttigs doe.
Schrijven, zal ik daar mijn rothumeur mee oplossen? Natuurlijk niet, mijn ervaring is dat ik met zo’n humeur geen letter op papier krijg, het zal me alleen nog meer frustreren. Ik las ooit in het tijdschrift ‘Schrijven’: ‘Schrijf nooit met een rothumeur want het sijpelt door in de taal en dan worden de zinnen minder mooi’.
Maar wat dan?
Misschien een programma kijken wat het leed van anderen etaleert, dat kan me wel is helpen. Waarom doe ik zo mijn best om me niet ongelukkig te voelen en accepteer ik niet gewoon dat het weer ‘zo’n dag’ is?

Terug van boodschappen sjouw ik met mijn fietstassen richting mijn fiets en loop langs de jongen.
‘Een Parool, mevrouw?’ hoor ik achter me.
Ik reageer niet meer.

Thuisgekomen plof ik neer op de bank met een kop thee. Witske, één van mijn poesen, heeft zich onder mijn kin, op mijn borst genesteld, zijn ruwe tongetje likt mijn hand, ze maakt een spinnend geluid. Ze geniet van mijn nabijheid en ik kan dit moeilijk verstoren door op te staan. Ik blijf zitten en wentel mij in mijn ‘ongelukkig zijn’ en moet nu wel accepteren dat het mijn dag niet is vandaag.
Morgen is alles weer anders.

Tijd

De ware tijd komt pas tot leven als de klokken zwijgen.
William Faulkner.

Tijd.

Vandaag heb ik alle tijd.
Ik fiets de stad uit, langs de Amstel richting Ouderkerk. Mijn nieuwe Rih-fiets maakt het trappen lichter, ik fiets regelmatig Waterland in, om langs het IJsselmeer terug te fietsen. Ik hou van de weidsheid van het water, het gevoel van vrijheid wat ik ervaar als ik de vogels in een zwerm boven mijn hoofd vliegen. Vandaag gaat mijn fietstocht naar het zuidelijk deel van de stad, waar een ander stuk van mijn leven ligt.

Halverwege mijn tocht strijk ik neer op een bankje aan de Amstel.
Het zonlicht schittert over het water en er ontstaan flikkerende sterretjes, als vuurwerk. Ik kijk naar de wolkjes die door de wind langs me heen worden geblazen, het riet dat zich laat meevoeren. Twee eenden tegenover elkaar, reiken hun hals ver boven het water uit, bewegen naar voren en naar achteren, een rituelen dans. Plotseling duikt één van hen onder water om verderop weer op te duiken, de ander volgt. Het schouwspel van de natuur, het maakt me stil van binnen, ik zink weg in een gevoel van tevredenheid.
De tijd staat even stil.

Het is mijn innerlijke tijd die ik meestal ervaar als ik alleen ben, een wandeling langs de zee maak, of me laat omringen door bomen, of zoals nu zittend op een bankje langs de Amstel.
In de natuur kom ik het dichst bij de tijd die eventjes lijkt stil te staat.

De tijd. Ik denk aan mijn periode van afzondering in Zuid- Frankrijk. In die periode was ik me niet bewust van de tijd en moest ik me inspannen om erachter te komen wat voor een dag het was, een woensdag, donderdag of misschien toch vrijdag?
Ik was toen uit de wereld van de tijd gestapt en kon de rijkdom van mijn innerlijke tijd ervaren. Het bracht me rust en inspiratie.

Even later fiets ik verder langs het kronkelende water van de Amstel, door Ouderkerk, richting Abcoude, het dorp waar een deel van mijn leven ligt. Het stukje groen is er nog. Ik denk terug aan ons zondagochtendritueel, fietsend vanuit Abcoude met mijn zoontje voor op de fiets, om het paard met veulentje gedag te zeggen. Het weiland is nu leeg.

Rond vier uur nader ik de stad, op de Berlagebrug kom ik in een fietserfile terecht en wordt ik meegenomen met de snelheid van de stad. De tijd die zo langzaam aan me voorbij trok is nu weer sneller gaan tikken. Het blijft een kunst om een evenwicht te vinden tussen de persoonlijke en de kloktijd.
De tijd zal het mij leren.

1 2 3 10