Truus

Truus is terug van de operatiekamer.
Haar narcoseroes is uitgewerkt en ze heeft honger. De keukenmedewerker voorziet haar van een broodje, muffin, smoothie en koffie. Als ik langs haar loop voor weer een toiletbezoek vraag ik:
‘Hoe gaat het?’
‘Ze hebben mijn nier kunnen sparen. Godsamme wat had ik een honger,’ zegt ze met volle mond.
‘Dat is een goed bericht,’ zeg ik.
‘Bij jou is hij eruit hé?
Ze neemt een slok van haar koffie.
‘Ja, de tumor was te groot,’ zeg ik.
Haar telefoon gaat.
‘Ik bel je zo terug, ben nou aan het eten,’ schreeuwt ze tegen de telefoon die ze voor zich houdt.
Ik loop verder.

Ik ben terug. Truus is aan het videobellen, ze houd de telefoon  vlak bij haar gezicht. Aan de andere kant van de lijn hoor ik een man, zijn stem krijgt een metaalachtige klank door het hoge volume waar de speaker op staat. Hij is woedend, ik hoor luid en duidelijk van allerlei ziektes en geslachtsdelen voorbijkomen. Truus jammert: ‘Nee, niet doen, ik kan hier niet tegen, dat weet je toch.’
Er volgt een stilte.
Dan klinkt opnieuw het doordringende ringgeluid van haar telefoon door de kamer.
Ik zet mijn koptelefoon op en draai  de volumeknop op de hoogste stand.

Het is woensdagochtend acht uur. Het was een korte, onrustig nacht, de oordoppen die ik kreeg van de verpleegkundige waren niet opgewassen tegen het gekreun van mijn kamergenoot. Omdat Truus die nacht drie keer belde voor hulp werd ik wakker van de stemmen die door de stilte van de nacht braken.

Truus en ik zijn veroordeelt tot elkaar en een groter verschil tussen ons is er niet. Waar mijn vragen om hulp tekort schiet, heeft zij een mateloze behoefte om gerustgesteld te worden, waar zij zich niets aantrekt van haar omgeving wil ik geen lastige patiënt zijn, waar zij de tumor als haar doodvonnis ziet denk ik dat ik honderd word.
Maar toch…vinden we elkaar…ergens halverwege de ochtend. We praten over de chirurg door wie we allebei geopereerd zijn, een deskundig en fantastisch mens, we hebben het over eten wat zo goed is en over de verpleegkundigen die aardig en meevoelend zijn.
Even lijkt de sfeer gemoedelijk maar slaat direct om als ‘onze chirurg’ niet bij Truus langskomt maar vreemde artsen rond haar bed staan. De afstandsbediening van haar tv weg is en het verplegend personeel geen tijd heeft om hem te zoeken en ze hoort dat er geen sportzender op de tv van het ziekenhuis zit. Truus heeft weer alle rede haar ongenoegen te ventileren en doet dit met veel kabaal, het gordijn tussen ons in lijkt zowaar even te bewegen.

Truus haar zwaar gemoed kan niets veranderen aan de lichtheid die ik ervaar.
‘Ik mag naar huis,’ zeg ik tegen het gordijn, ik hoor vrolijkheid doorklinken in mijn stem.
‘Ik mag gelukkig nog blijven, hier is het lekker rustig en word er voor mij gekookt, thuis…’ halverwege haar zin stopt ze.
Ik kijk naar buiten waar de wolken voorbij trekken en zwijg.
Het is goed met Truus.
Het is genoeg.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *