Febo

De zon schijnt. Ik zit op een bank aan de rand van het Leidseplein. Op de bank naast me zit een vrouw, ze is haar rugzak aan het uitruimen, en kiepert de inhoud op de grond. Haar huid is glad en gebruind, haar blonde haren glinsteren in de ochtendzon. Ze zegt woorden in een taal die ik niet thuis kan brengen.

Ik ken dat gevoel van onderweg zijn, je rugzak is je woning. Het ordenen ervan is als het opruimen van je huis. Als je de lege rugzak op zijn kop houdt om te ontdoen van allerlei troep, lijkt het op stofzuigen. Als je klaar bent heeft alles zijn vaste plek en je hoeft niet lang meer te zoeken als je iets nodig hebt.

Ik kijk het plein over, een fiets staat wat verloren tegen de antieke lantaarnpaal. Vier van deze lantaarnpalen staan verspreid over het plein met armen van sierlijke krullen. De tram maakt een piepend geluid en stop bij de halte. De vrouw is klaar met haar rugzak en loopt gehaast richting Weteringschans. Een ambulance rijdt met grote snelheid en joelende sirene de Weteringschans over.

Ik loop richting de Leidsestraat. Langs snackbar de Febo, toeristen maken foto’s van de glazen luikjes.
Een wat oudere heer, netjes in pak, staat voor de luikjes en kijkt verlekkert naar de kroket achter het ruitje.
Een vrouw en man zijn halverwege blijven staan en wachten.
Als de man geen aanstalten maakt om verder te lopen zegt de man:
`Pa, Hotel Americain ligt om de hoek, daar kun je een kroket eten.`
De man negeert de opmerking, haalt zijn portemonnee uit zijn kontzak en kijkt erin, steek hem weer terug en laat zijn daarna zijn hand eerst in de ene daarna in de andere broekzak glijden.
Er komt een man aanlopen, ik ken hem vanuit het Vondelpark, hij zit vaak op een bankje met vrienden te drinken. Als hij de meneer in zijn nette pak ziet loopt hij naar hem toe. Wat hij zegt kan ik niet verstaan maar kan het wel raden. De meeste verslaafde vragen geld voor onderdak, dan maak je nog kans, voor het onderhouden van een verslaving willen mensen geen geld geven. De man pakt een vijfeuro biljet uit zijn beurs en geeft het aan de man.
Hij maakt een diepe buiging en verdwijnt weer.
`Het hoeft van mij niet meer,` zegt hij tegen zijn vrouw en zoon en ze lopen gezamenlijk richting het Leidseplein.

Als ik even later op het Koningsplein langs de Albert Heijn loopt komt de man uit de winkel gelopen met in zijn hand een paar blikjes halve literbier.
`Proost.` zeg ik.
Hij maakt een proostgebaar en lacht.

Een reactie

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *