Mijn stad

2015-03-14 12.28.06In de Rozentuin in het Vondelpark, rond een uur of tien zitten vaak dezelfde mensen. Verscholen onder laaghangende takken zit een man, zijn fiets ligt in de struiken. Zijn handen omklemmen een dampende beker, op de grond staat een thermoskan. Op schoot iets wat op een broodje lijkt, af en toe neemt hij er een hap van. Schuin tegenover hem staat een gezette Surinaamse meneer, hij heeft een versleten joggingbroek aan van een opvallende kleur blauw met gele strepen aan de zijkant. Hij doet oefeningen, zijn handen rusten op de bank terwijl hij zijn lichaam opdrukt, het kost hem zichtbaar moeite.

De oefeningen die de twee heren op het vierkante stukje gras in het midden van de Rozentuin doen, zien er soepeler uit. Ze beoefenen Thai-Chi.  De sierlijke bewegingen lijken soms te blijven hangen in de lucht, tergend langzaam gaan ze gelijk op in de beweging.  Ze lijken te dansen.
Op het andere stukje gras liggen hun fietsen in elkaar gestrengeld.

Soms neem ik het ooievaarslaantje, elk jaar worden daar ooi-jongen geboren, in het ooievaarsnest hoog op de paal die midden in een stukje weiland staat.
Langs dit laantje tref ik regelmatig de man met de elektrische tandenborstel. Het mechanische geluid overstemt de andere geluiden van het park. In een traag tempo beweegt hij de borstel in zijn mond.

Diezelfde avond rond negen uur fiets ik van het Zeeburgereiland in oost naar mijn huis in oud-zuid. Ik rij de Zeeburgerdijk af langs de molen de Sarphatistraat in, langs de Nederlandse bank, de Weesperzijde, links afslaand het Rijksmuseum onderdoor. Elke keer als ik hier onderdoor fiets ben blij dat de fietstunnel open is gebleven, een uniek stukje Amsterdam.

Het is altijd een feest als ik rond dit tijdstip, met de wind in mijn rug, door Amsterdam fiets. Met de jazzy klanken van een bigband in mijn oren, dans ik door de stad.  Soms als de muziek zo opzwepend is dirigeer ik met één hand het orkest en kan ik niet stil op mijn zadel blijven zitten. Niemand die vreemd opkijkt als in voorbij kom swingen. Op zulke avonden als ik de straten maar met een enkele fietser deel, zweef ik op mijn muziek door de stad en krijg ik het gevoel van vrij en onderweg zijn zomaar cadeau.

Ik zal Amsterdam niet meer verruilen voor een dorp aan zee, het wordt een eiland in het oosten van de stad, Amsterdam blijft mijn stad.
We horen bij elkaar.