Loodgieter

imagesEén keer in het jaar komt hij langs, de loodgieter. De combiketel controleren en zo nodig onderdelen vervangen. Zwaar beladen komt hij mijn woning binnenlopen met een vierkante gereedschapskist en stofzuiger en wringt zich door het smalle gangetje.

Mijn loodgieter is een uitermate chagrijnige man en snel uit zijn doen als het niet gaat zoals hij het wil. Daarom zorg ik ervoor dat alles naar wens is, dat niets hem in de weg staat, zodat hij zijn werk goed kan doen.

Van de week kwam hij langs voor de jaarlijkse controle.
`Goedemorgen, loodgieter.`
`Goedemorgen, mevrouw.`
Ik laat hem voorgaan, hij loopt naar de keuken en zet met een zucht zijn stofzuiger en tas neer.
`Gaat het goed met u?` vraag ik.
`Ja, en met u?`
`Goed.`
`Hebt u nog iets nodig?`
`Nee, u geen klachten?`
`Alleen het water moet worden bijgevuld.`
`Ja, dat lijkt me logisch, daar kom ik voor.`
`Natuurlijk.`

De meeste keren doet hij zijn werk zonder veel woorden en vertrekt weer. Komt hij wat later in de ochtend dan heeft hij meer gespreksstof, vaak over een andere klant. Hij heeft twee geliefde onderwerpen, geld en vrouwen. Hij praat erover met een zekere afgunst en verontwaardiging.
`Ik kom net terug van een klant, die woont in zijn eentje in een grachtenpand van meer dan een miljoen.`
`O.`
`Gierig zijn ze, te beroerd om mij te laten komen en dan mopperen als het teveel geld kost voor de reparatie.`

Terwijl hij op de ladder de schroeven los draait van het omhulsel van de combiketel verandert hij van onderwerp.
`Ze is verhuisd hé?`
`Wie.`
`Die vrouw van nummer twee.`
Hij heeft het vaker over haar gehad. Het is een gescheiden vrouw van midden dertig met twee kinderen.
`O ja?`
`Heb je dat niet gezien, het huis is leeg!`
Ik zwijg.
`Kan ze een andere buurt onveilig maken.`
`O.`
`U weet toch dat ze het met de aannemer heeft gedaan, tijdens de renovatie.`
`De aannemer?`
`En de schilder.`
`Ook de schilder?`
`Ja, die was getrouwd en is daarna gescheiden.`
Hij gaat verder: `Dat die mannen daarin zijn getrapt, ik snap dat niet.`
`Dat zou jou niet overkomen?`
Hij draait zijn hoofd met een ruk mijn kant op, er staat verbazing op zijn gezicht te lezen.
`Natuurlijk niet.`
`Wie weet hoe gezellig ze het hebben gehad.`

De ladder kraakt onder zijn gewicht, met een klap zet hij het omhulsel op de grond. Hij kijkt me woedend aan alsof ik hem net de oorlog heb verklaard.
`Deze vrouw heeft een slechte invloed op mannen.`
`O.`
`Ze gebruikt mannen.`
`Misschien was het wel andersom.`
`Ben jij er bij geweest.`
`Nee, jij?`
`Nee.`
`Daarom.`
`Waarom?`
`Daarom kun je dit niet zeggen.`
Het blijft even stil en daarna zegt hij:
`Je houdt me van me werk, ik loop al achter op schema.`

Als ik even later aan de geluiden hoor dat hij klaar is loop ik naar de keuken.
`Klaar?`
Hij moppert iets wat ik niet kan verstaan, buigt zich voorover om het gereedschap in de tas te doen en loopt zwaarbeladen richting de voordeur.
`Dag loodgieter,` roep ik hem na.
Hij kijkt achterom en knikt naar me, dan trekt hij met een klap de voordeur achter zich dicht.
`Tot nooit meer ziens,` zeg ik er zachtjes achteraan.

Mevrouw Tolstra

naamloosAls ik langs het woonzorgcentrum Vredenburgh aan de rand van het Rembrandtpark fiets moet ik altijd even aan Mevrouw Tolstra denken. Hoe zou het met haar gaan, zes en negentig moet ze nu zijn, als ze nog in leven is.

Het Oranje Fonds had ons bij elkaar gebracht. We hadden ons aangemeld voor het project `Achter ieder mens schuilt een verhaal`. Mevrouw Tolstra zou haar levensverhaal vertellen en ik zou het op schrijven.

Onze eerste afspraak was op een zonnige mei-middag in haar kamertje. We zaten tegenover elkaar, tussen ons de salontafel met een gehaakt kleedje. Daarop stond een schaaltje met chocolaatjes en een trommeltje met krakelingen, de deksel lag er half op. De pot thee stond op het theelichtje.
`Kunt u vertellen wat u eerste herinnering is?`
`Ik was drie jaar en zat op de kleuterschool bij Juffrouw Schoonhoven. Elke dag moesten we onze handjes op de bank leggen, dan werd er gekeken of ze schoon waren. Op een dag, op weg naar school, zag ik dat mijn nagel vies waren, ik weigerde om naar binnen te gaan.`
`Ik ben wel benieuwd hoe u eruit zag als kind?`
`Ik had allemaal rode krulletjes, geen sproeten want we gingen nooit op vakantie. Mijn vader had maar negen dagen vrij van de gasfabriek.`
Ik zag het beeld voor me van het kind met de rode krullen met een iets te bleke huid.

Het eerste uurtje met mevrouw Tolstra was een genoeglijk samenzijn. Ze praatte met plezier over haar jeugd en kon beeldend vertellen. Ik zag de Haarlemmerweg voor me met aan de overkant het Westerpark waar haar vader in de gasfabriek werkte.  De J.M.Kempersstraat, wat ik ken omdat een vriendin daar heeft gewoond.

Op ons daaropvolgende afspraak was mevrouw Tolstra niet op haar kamer. Ik neem de lift naar beneden om haar te zoeken.
`Is ze er niet!` Dat is echt iets voor haar. Heb je al op het terras gekeken?` zei de activiteitenbegeleidster die ik in de hal tegen het lijf liep.
Buiten, op het terras, kwam ze stapje voor stapje achter haar rollator aangelopen, hoofd gebogen, haar zilvergrijze haar schitterde in het zonlicht. Ik noemde haar naam, ze keek me verbaasd aan.
`Ben jij er?`
`Ja, hebt u zin om te praten.`
`Dan moeten we een afspraak maken.`
`We hebben vandaag een afspraak.`
`Ik krijg bezoek.`
`Van mij?`
`Nee, mijn nicht komt langs.`
`Zal ik dan volgende week langskomen rond dezelfde tijd?`
`Ja, doe dat maar.`
`Wilt u nog wel praten?`
`Ik wordt er wel moe van.`

Als we een week later opnieuw tegenover elkaar zitten, verteld ze over de Marva. Ze was één van de eerste vrouwen die zich had aangemeld voor de Vrouwenafdeling van de Marine. Ze kreeg in Londen een training en zou worden uitgezonden naar Nederlands-Indië.
Ik luisterde geboeid naar het verhaal van de overtocht over de woelige oceaan. Als ze met haar verhaal is aangekomen in Indië veranderde er iets in haar stem. Plotseling werd het stil. Ik zag hoe ze in elkaar dook, alsof ze elk moment een klap verwachtte. Haar handen die gevouwen in haar schoot lagen wreef ze onafgebroken tegen elkaar en ze staarde afwezig voor zich uit.
Na een tijdje doorbreek ik de stilte.
`Gaat het wel goed met u, mevrouw Tolstra.`
Ze keek me verschrikt aan.
`Ik stop ermee,` haar stem sloeg over.
`Het raakt u hé?`
`Ik wil geen gesprekken over vroeger, ik slaap er niet van.`
`Dat is goed mevrouw Tolstra, dan stoppen we.`
We zaten een tijd stilletje voor ons uit te kijken.
`Zullen we nog iets drinken op het terras?`
`Nee.`
`Wilt u dat ik opstap?`
`Ja.`
`Ik wens u het allerbeste,` ik leg mijn hand even op haar onderarm.`
Ze knikt zonder naar me te kijken.
Tranen sprongen in mijn ogen, haar zo alleen achter te moeten laten deed me pijn.

Het is drie jaar geleden en nog steeds als ik door het Rembrandtspark fiets moet ik aan haar denken. Zoals nu, ik kijk naar het raam waar ze achter woont en fiets over de brug richting het zorgcentrum.
In de hal bij de receptie vraag ik naar  mevrouw Tolstra.
`Mevrouw Tolstra, ik kijk even voor u.`
`Mevrouw is begin juni 2012 plotseling overleden. Hebt u haar gekend?`

Ze is overleden op drieënnegentig jarige leeftijd, een week na onze laatste afspraak.
Haar verhaal heeft ze meegenomen haar graf in.

Dirk

imagesDUBGXVHUHet is rustig als ik rond twee uur Dirk van der Broek binnenstap. Niet veel later sluit ik me aan in de rij bij de vriendelijk Surinaamse caissière, we maken altijd een praatje.

In de rij bij de andere kassa legt een oudere man zijn boodschappen op de band. Hij is klein en gezet en lijkt op een Frans boertje, hij past in het beeld van de jeu de boules spelende mannen op het dorpsplein achter de kerk. Voor hem staat een man, rond de veertig, brede schouders, trainingspak. Hij staat daar zonder wagentje.
`Kom maar met die boodschappen,` schreeuwt hij naar een man, die achter de oudere man is gaan staan. Deze heeft wel een supermarktwagentje die tot de nok toe gevuld met boodschappen. Flessen cola, zakken chips worden over het hoofd van de oudere meneer, vooraan op de band gezet.
`Maar ik was toch voor?` hoor ik de man zachtjes zeggen.

De medewerker achter de kassa vertrekt geen spier en hij haalt de flessen cola en zakken chips langs de scan. Hij heeft zo’n `hier ga ik me niet mee bemoeien` houding.
`Jullie kunnen die oudere meneer toch wel even voorlaten?` roep ik naar de mannen.
`Nee, dat kunnen we niet.`
`Ik was voor jou,’ zegt de man, nu iets harder.
`Dat was u niet, hij hoort bij mij en ik was voor u, dus rekenen we eerst deze boodschappen af.`

Ik moet denken aan een paar weken geleden. Een man die me met het supermarktwagentje afsneed en richting de kassa snelde die net openging. Hij had een volle kar en ik één boodschap. Hij zette een paar artikelen op de band en ging tot twee keer toe terug de winkel in voor vergeten boodschappen.

De mannen hebben afgerekend en lopen met veel lawaai naar de uitgang. Hun overheersend gelach blijft hangen in ruimte. De man loopt er stilletjes achteraan. Ik leg in het voorbijgaan mijn hand op zijn schouders.
`Gaat het een beetje meneer?`
Hij kijkt op.
`Mijn zoon, mevrouw, hij had dit nooit laten gebeuren, nooit, maar helaas…`
`Helaas?`
`Was hij er niet bij.`
`Ja, dat is jammer, het beste met u, meneer.`

Aan de overkant van het water zie ik de mannen lopen.
Ze duwen de volle supermarktkar voor zich uit. Of het wagentje ooit de weg terug zal vinden naar Dirk, niemand zal het weten.