Verleden tijd

2015-09-20 16.44.34Hij zit buiten op het pleintje, aan een tafeltje van de vishandel, in het Amstelveense winkelcentrum `Groenhof`. Het is zeker vijfendertig jaar geleden, hij zeker vijftig kilo zwaarder, ik tien. Hij grijze haren, ik geverfde. En natuurlijk heeft hij nog steeds die hand met drie vingers. Ik herken hem niet meteen, omdat zijn omvang ook zijn gezicht heeft veranderd.

Ik maak wel vaker zomaar een praatje met mensen die ik niet ken en ook deze keer schuif ik bij twee wat oudere heren aan, één heeft een snor, die zijn hele bovenlip verbergt, en de andere man steunt op een supermarktwagentje van de Jumbo, voor hem staat onaangeroerd een broodje haring. De man met de snor is voornamelijk aan het woord. Ik luister en prik ondertussen de kibbeling met een vorkje uit een plastic bakje. De andere man mengt zich in het gesprek. Die zachte stem, de trekken in zijn gezicht de manier waarop hij zijn hoofd naar achteren laat vallen. Ik weet het weer.

Hij was mijn docent en mentor op de sociale academie. We hadden allebei een relatie, maar ook iets met elkaar. Niet dat we er ooit iets mee gedaan hebben maar die aantrekkingskracht was er. En ook nu kom ik er niet onderuit, vijfendertig jaar later is het er nog steeds. Ik voel zijn ogen op me gericht als ik naar zijn buurman luister en ben me bewust van mijn houding, hoe ik moet kijken, wat ik zeg.

Ik zeg niets, laat het moment voorbij gaan dat ik had kunnen zeggen:
`Ik ken jou ergens van.`
Ik doe het niet, ik heb geen zin om vijfendertig jaar van mijn leven voorbij te laten komen, want dat doe je na zo’n weerzien, om daarna afscheid te nemen met de woorden.
`Nou, leuk je weer gezien te hebben, tot ziens.`

Mijn kibbeling is allang op, ik treuzel, twijfel, moet ik als nog… ik blijf zitten. Ik kijk naar hem, ondertussen praat de man met de snor maar door. Ik kijk hem recht aan, ben niet meer het gesloten, verlegen meisje van toen. Vanachter zijn brillenglazen zie ik zijn ogen, die spleetjes lijken, even lijkt het alsof hij naar me knipoogt. Dan een lach op zijn gezicht, die lach van vroeger en ik weet dat hij het weet en dat het oké is. Ik sta op.
`Nog een prettige dag, heren.`
`Een fijne vakantie nog,’  zegt hij.
Ik stap op mijn fiets en rij weg uit zijn leven.