BoodschappenPlusBus

naamloosWe ontmoeten elkaar bij de ronde tafel in de vishandel in het winkelcentrum Groenhof in Amstelveen. Ik eet kibbeling, zij een haring in stukjes gesneden. Ze steekt het laatste stukje haring in haar mond als ik naast haar kom zitten. Ik zeg gedag, ze knikt, haar ogen liggen verscholen achter gele brillenglazen, ze schitteren me tegemoet.
`Lekker?` vraag ik haar.
`Mmmm,` daarna blijft het een tijdje stil.
`Woont u hier in de buurt?`
`Ik ben hier met de BooschapenPlusBus,` ze staart me aan, ik mis een levendigheid in haar ogen maar dit komt terug in haar gezicht. Ze laat me een lach zien en begint te praten.
`Het is speciaal voor ouderen, ze helpen je met boodschappen doen en we hebben regelmatig een uitje. Mevrouw, er wordt veel geklaagd maar er is zoveel te doen voor ons ouderen.`
`Wat fijn voor u.`
`We zijn laatst met een speciale kar het strand op geweest bij IJmuiden, het was zo’n aardige chauffeur hij reed zo de zee in en weet je wat hij zei?`
`Dat jullie je mond moesten houden.`
`Hoe weet je dat.`
`Zomaar.`
`Dames even jullie kakel houden en luister naar de zee, die heeft je wat te vertellen, dat is wat hij zei. Ja, we waren net een kippenhok, een kippenhok op zee. Maar we luisterde wel naar hem en werden muisstil.`
`Had de zee u wat te vertellen?`
`Nou nee, het was maar een grapje.`
`Ze knippert een paar keer met haar ogen.`
`Heeft u last van het licht?`
`Ik ben slechtziend.`
`Vandaar die gele brillenglazen?`
`Ja, dat is om een beter contrast te krijgen.`
`Kunt u mijn gezicht zien?`
`Niet je ogen, wel vaag je gezicht. Ik kan er goed mee leven hoor.`
`U heeft nog plezier in uw leven zo te horen.`
`Ach, kind, je moet wel, zitten sippen is ook niet alles en gelukkig heb ik het altijd gehad.`
Ik kijk haar vragend aan.
`Een positieve instelling, jij hebt dat ook, dat zie ik aan je.`
Ik blijf stil.
`Nou, dan ga ik maar weer, dag meisje.`
Ze staat op en loopt achter haar rollator de viswinkel uit. Ik kijk haar na en voel me ineens jaren jonger en bruisend van energie.

 

 

Boekenkast

2016-02-12 17.11.44Ik heb een afspraak met Otto. Ik weet zijn naam maar niet hoe hij eruit ziet. Sinds ik mijn nieuwe woning heb betrokken op het Zeeburgereiland gebeurd het regelmatig, dat ik een afspraak heb met iemand die ik niet eerder gezien heb. Dat overkwam me nooit meer in mijn oude woning op de Sloterkade. De monteur voor mijn combiketel was me meer dan vertrouwd. De mannen van Dekker, het bedrijf dat voor mijn makelaar werkt, hun gezichten kende ik allemaal. Maar ze kwamen de laatste jaren niet meer langs. Er viel veel te onderhouden, maar daar dacht mijn makelaar anders over.

Otto ken ik van Marktplaats en van de vriendelijke mails die we hadden uitgewisseld.
Mannen, ze komen en gaan in mijn nieuwe huis en het zijn allemaal vreemden voor me, zoals de monteur van de Pelgrim, de onderhoudsman van de Alliantie, de woningbouwvereniging, de Marokkaanse jongens die een bed komen brengen of de mannen van Pantar de kringloopwinkel.
Elke keer probeer ik me een voorstelling te maken van de mannen die mijn nieuwe woning betreden, ze hebben in mijn verbeelding een aardig gezicht en staan me vriendelijk te woord waardoor ik me meer thuis kan gaan voelen, want dat wil maar niet lukken.

Het is vrijdagmiddag twee uur en ik had Otto gemaild dat ik na twaalf uur thuis zou zijn. Ik hoef niet te zorgen voor hulp bij het sjouwen, hij zou iemand meenemen. Het is vijf over twee als de bel drie keer overgaat. Voordat ik iets kan zeggen dringt er een harde stem mijn ruimte binnen. Op het schermpje van mijn intercom zie ik drie gezichten zich verdringen voor het scherm en hoor ik wat onverstaanbare klanken.
`Ik doe open,` zeg ik in de hoorn.
Als ik bij de lift aankom staan er drie mannen te wachten.
`Zijn jullie meegekomen met Otto?` vraag ik.
Als één van hen mijn hand pakt en deze blijft schudden, te dicht mijn gezicht nadert en nadrukkelijk zijn naam blijft herhalen ben ik plotseling veertig jaar terug in mijn verleden.  Ik ben op het jaarlijks terugkerende feest in het tehuis waar ik werkte voor verstandelijke gehandicapte meiden. De meiden  van Breevecht die carnaval vierde met de  jongens van een tehuis, een dorp verderop.

We nemen de lift naar beneden.
Daar staan nog twee mannen die ook enthousiast mijn hand beginnen te schudden.
`Heb je een oude fiets?`vraagt één van hen.
Hij slist een beetje en ik zie uit zijn mondhoek een streepje vocht lopen. Vanonder zijn basketbalpetje kijkt hij me  met een verwachtingsvolle blik aan. Voordat ik een antwoord kan geven gaat hij door.
`Hier in Amsterdam zijn veel oude fietsen heb ik gehoord?`
`Ik heb geen oude fiets?`
`Als u een oude fiets tegenkomt gaat u me dan bellen?`

`Hallo.`
Ik kijk op en zie hoe een man onze kant op komt lopen, spijkerbroek, geblokt overhemd en rubberlaarzen. Dat moet Otto zijn. Nu pas zie ik de bus met daarachter een trailer die voor de deur geparkeerd staat.
Otto heeft een open blik en hij kijkt me vriendelijk aan, ook hij schudt mijn hand, een stevige en laat hem direct los.
`Zo daar zijn we!`
`Dit moet lukken, je heb genoeg hulp,` lach ik.

Even later dringen de mannen mijn woonkamer binnen en verspreiden zich door de ruimte. Terwijl Otto en ik de kast in elkaar zetten zie ik vanuit mijn ooghoek hoe ze mijn altaartje met de `alles voorbij dingen` met veel belangstelling bekijken, anderen lopen af op de stapels dagboeken bovenop de kast, die nog geen plek in mijn huis hebben gevonden. Voorzichtig wordt even het kaft van een boek opgelicht.

Als de kast staat word ik opnieuw aangesproken.
`Ik wil graag een Hoever stofzuiger, die spaar ik, wil je me bellen?` van onder zijn petje kijkt hij me met een iets loensende blik aan, zijn ogen staan dicht bij elkaar.
`Dat zal ik doen.`
`Echt, een Hoever stofzuiger, je weet toch wat voor eentje dat is?`
`Mannen, we moeten naar huis anders komen jullie te laat voor het busje`, zegt Otto.
`Een Hoever stofzuiger,` probeert hij nog.
`Bart.`
`Maar ze heeft mijn telefoonnummer niet.`
`Ze mailt mij wel als ze iets heeft.`
`Dat spreken we af,` stel ik hem gerust.
In een lange rij verdwijnen de mannen uit mijn woning, ik denk opnieuw aan carnaval, de polonaise die maar niet stopte. Otto sluit de rij. Hij draait zich om en geeft me opnieuw een hand voordat ik de deur sluit.

Terwijl ik zittend op mijn bank met bewondering mijn antieke Engelse kast bekijk moet ik denken aan dit verrassende bezoek. Het heeft weer een beetje kleur gegeven aan mijn huis.