Jumbo

imagesnmvb6npyDe kleur geel schreeuwt me tegemoet als ik de Jumbo binnenstap van het winkelcentrum Groenhof in Amstelveen. De dames van de Jumbo dragen een gewatteerd hes van dezelfde kleur geel. Op de rug staat met zwarte letters Jumbo met daaronder `elke dag beter`. Aan de voorkant een naamplaatje. Mijn caissière is een vrouw van middelbare leeftijd en haar naam is Jannie.

Er staan vijf mensen voor me in de rij en het schuift langzaam op, nog even en ik kan mijn boodschappen op de band leggen.
`Wat ga jij dit weekend doen?` vraagt Jannie aan haar collega die achter haar zit, ondertussen gaat ze door met het scannen van de boodschappen. Ze heeft geen bescheiden stem, eerder eentje die een antwoord afdwingt. De collega achter haar zegt:
`Het is pas dinsdag, joh!` ondertussen hoor ik bij haar ook de piepjes van het scan-apperaat gewoon doorgaan. Hun handeling lijkt los te staan van de klant, ze praten alsof ze rond de keukentafel een gezellig onderonsje hebben en de klant niet bestaat.

Een meneer van middelbare leeftijd, die voor me in de rij staat draait zijn hoofd mijn kant op, schudt hem lichtjes en geeft me een knipoog. Het lijkt erop alsof hij deze situatie eerder heeft meegemaakt en op zoek is naar iemand waar hij dit mee kan delen. Ik lach naar hem.
`Nou?`
`Het is net weekend geweest.`
`Weet je het nog niet?`
`Nee hoor, ik heb nog niets gepland en jij?`
`Ik heb een verjaardag.`
`Leuk.`
`Helemaal niet leuk, het is opzitten en pootjes geven.`
De man voor me rekent af.
`Prettig weekend,` zegt hij met een glimlach rond zijn mond.
De vrouw kijkt hem aan.
`We hebben ons weekend net gehad, meneer.` ze trek iets met haar mond.
De man reageert niet en loopt naar de uitgang.
Voordat ze mijn boodschappen gaat scannen kijkt ze achterom naar haar collega.
`Houdt jij dan van dat opgedirkte gedoe?`
`Ik vind verjaardagen wel leuk.`
`Nou, ik niet, ik zie er altijd tegen op.`
Ze kijkt naar me en zegt:
`Goedemiddag, mevrouw,` en begint mijn boodschappen te scannen.
`Wilt u de bon mee?` vraagt ze als ik heb afgerekend.
`Nee, dank je. Prettig weekend en veel plezier op de verjaardag.`
Terwijl ik weg loop hoor ik haar zeggen.
`Zie je nu wel.`
`Wat?` zegt haar collega.
`Dat het niet uitmaakt of het weekend net geweest is, het is al de tweede klant die me een prettig weekend wenst.`

Op de tram

20160930_114017Het is donderdagmiddag rond vier uur als ik aankom bij het Rembrandtplein. Vanmorgen toen ik vertrok van huis miezerde het, nu komt de regen met bakken uit de lucht. Een paar minuten later stopt tram vier en wijkt de deur voor me open, er stapt een man uit. Ik stap in en bots tegen een muur van mensen, ik wring me naar binnen. `De tram is vol, ` zeg ik tegen een vrouw die nog in wil stappen, ze heeft een plattegrond in haar hand. Een toerist. De trambestuurder knikt naar haar, het lijkt op een toestemming. Ik vind mezelf ineens erg onaardig, ze kan er nog bij, hij had dit goed ingeschat. De jonge vrouw wringt zich naar binnen en schuift een tien eurobiljet door de opening van het hokje. Hij geeft haar een kaartje en wisselgeld terug.

Als één ding me irriteert zijn het de toeristen die mijn stad bezoeken. Een jaar of tien geleden was het alleen tijdens de zomers of feestdagen druk in en rond de museums en terrassen. Nu is het altijd en overal druk in de stad en gedurende het gehele jaar.
Vroeger had ik last van toeristen als ze op het fietspad liepen. Nu duiken ze overal op. Ik wordt razend als een kluwen gehuurde fietsen me de weg versperren, zich wiebelend door het verkeer begeven. Ze nemen vaak het hele fietspad in beslag, rijden te langzaam of blijven staan als het stoplicht op groen springt. Bellen of roepen helpt niet. Maar niet elke toerist verplaatst zich in Amsterdam op een huurfiets, deze vrouw neemt de tram.

De trambestuurder is een lange magere man, hij zit ontspannen iets onderuitgezakt in zijn stoel en lijkt zich niets aan te trekken van de drukte in en buiten de tram. Zijn voeten zijn gestoken in sandalen. Ik heb ooit ergens gelezen dat trambestuurders en conducteurs zich strikt moeten houden aan de kledingvoorschriften, volgens mij horen er geen sandalen bij het GVB uniform en is het ook verboden om in een overhemd met opgestroopte hemdsmouwen rond te rijden. Deze man lijkt zich er weinig van aan te trekken, zijn onderarmen steunen op de leuning van de stoel, hij drukt af en toe op een knopje en laat de tram in een slakkengangetje door het verkeer heen glijden. Hij heeft een vriendelijk gezicht en fluit een deuntje voor zich uit.

We staan stil bij een halte. Een vrouwelijke stem met een Surinaams accent, klinkt door de microfoon.
`Niet zo dringen gewoon even plaats maken.`
De trambestuurder kijkt naar het kleine schermpje boven zijn hoofd dat de beelden van de mensen in de tram laat zien, hij bedient een knop waardoor het beeld verschuift, ondertussen sluiten de deuren zich en rijdt de tram al rinkelend weer een stukje verder.
`De zon schijnt voor en in ons allemaal,` klinkt er door de microfoon.
Ik moet lachen.
`Wat heeft zij nou?` hoor ik de trambestuurder zeggen en schudt met zijn hoofd.
`Ze heeft er zin in,` zeg ik.
`Ja, ja,` ondertussen bedient hij de knoppen en kunnen we zowaar een eind doorrijden.
We rijden over het Damrak, de bestuurder voert de snelheid op, we naderen onze eindbestemming.
`Hij ruikt de stal,` zegt de bestuurder, het is niet duidelijk tegen wie hij het heeft.Plotseling remt de tram, de mensenmassa deint mee, van links naar rechts en komt in het midden weer tot stilstand. De tram laat een heftig gerinkel horen.
`Idioot, stomme idioot,` schreeuwt de trambestuurder, hij kijkt naar buiten en wijst met zijn vinger naar zijn hoofd. Voor de tram zie ik een oudere dame, de schrik is van haar gezicht af te lezen.
`Toeristen, ze zijn een gevaar op de weg, laatst kwam er bijna één met zijn huurfiets onder de tram.`
We naderen het Centraal Station, de trambestuurder hoor ik alweer fluiten.
`We zijn bij onze eindbestemming, dames en heren, ik wens u een prettige en zonnige dag.`
Buiten regent het nog steeds.
`Die is gek,` hoor ik de trambestuurder mompelen.
`Fijne avond.` zeg ik tegen de bestuurder.
`Dat gaat wel lukken, mijn vrouwtje wacht elke avond op me met eten.`

Ik loop door de stromende regen naar tram 26 die me snel thuis zal brengen, deze tram heeft bijna de hele weg vrijbaan. De tramhalte staat bomvol. Ik wring me ertussendoor naar het afdakje en verover een plek waar ik droog kan staan. Ik kijk naar de trambaan, de rails is niet meer te zien door plassen die zich hebben gevormd.

Als ik een kwartier later richting mijn huis loop moet ik aan de woorden van de trambestuurder denken.
`Mijn vrouwtje wacht elke avond op me met eten,` had hij gezegd.
Mijn gedachten gaan uit naar mijn moeder, een herinnering die nooit zal slijten. Het is meer dan vijftig jaar geleden. Elke avond, stipt op tijd, stond het eten op de tafel en konden we aanschuiven.
Voor sommige vrouwen is er niets veranderd.