Enquête

`Ik zie dat u weet wat u wilt,` hoor ik een vrouwelijke stem achter mij zeggen. Ik sta in de Jumbo in winkelcentrum Brazilië in Amsterdam Oost voor het schap van de zuivel en heb net een plantaardige yoghurt uit de koeling gehaald. Terwijl ik de yoghurt tussen de bananen, dadels en speltmeel in het helgeel gekleurde mandje leg, draai ik me om. Een vrouw staat in het midden van het pad en houdt een tablet voor haar buik.
`Zou ik even iets van uw tijd mogen snoepen,`een vriendelijke lach siert haar gezicht, ze kijkt naar het pak zuivel in mijn mandje. Ik glimlach om deze uitspraak, `tijd snoepen` dat hoor ik niet veel, het is een aparte combinatie. Ik stel me voor hoe de tijd zal smaken, vast zoet en glibberig zoals de tijd langs je heen kan glijden.

De vrouw die voor me staat is van middelbare leeftijd en is degelijk en gepast gekleed, wat misschien wel hoort bij haar werk en haar leeftijd, net als de zin die ze daarnet heeft uitgesproken.
`Het duurt maar even, een kleine enquête.` zegt ze, ondertussen knikt ze fanatiek met haar hoofd. Het lijkt erop alsof ze me wil verleiden tot het knikken van een `ja`. En mocht ik dan, wel of niet per ongeluk, met mijn hoofd in haar beweging meegaan ze van een `ja` verzekerd is.
Ze kijkt me verwachtingsvol aan.
Ik kan haar niet teleurstellen en waarom zou ik? Ik heb de tijd.
`Prima,` zeg ik.
Het lijkt alsof ze niet is voorbereid op een `ja` omdat ze zenuwachtig begint met het opstarten van de tablet. Ondertussen houdt ze me op de hoogte van elke handeling die ze verricht, als een goede dokter bij een onderzoek.
Ik wacht en luister.
Na vijf minuten komt de eerste vraag. Ik ben er klaar voor.
Het beloofde `even` groeit uit tot een kwartier. De tijd tikt verder en blijft zo af en toe hangen waardoor het een eeuwigheid lijkt. Het einde van het gesprek lijkt voorlopig niet in zicht, mijn mandje heb ik op de grond gezet en hip van het ene op het andere been. Al de dingen die ik nog moet doen lijken plotseling heel belangrijk, ik wil hier weg, naar buiten, frisse lucht happen, ook als is het koud en guur. Steeds meer mensen passeren ons, ik wil met ze meelopen richting de kassa, ze heeft genoeg van mijn tijd gesnoept.

`Kiest u meestal voor hetzelfde product?` het is de tweede keer dat ze me deze vraag stelt. Ik geef geen antwoord en wacht totdat ze zelf achter deze fout komt en me aankijkt. Maar ze wordt zo in beslag genomen door het apparaat, dat ze mijn aanwezigheid vergeten lijkt te zijn. Fanatiek drukt ze met een repeterend vingertje op de tablet en heeft zich zover voorovergebogen dat het lijkt alsof ze er in wil kruipen, het gevecht wil aangaan met dat `ding` wat niet doet wat zij wil.
`Goh, wat stom, shit, kut, verdomme.` klinkt het onverwachts uit haar mond.
`Gaat het?` vraag ik.
`Ja hoor, hoe oud bent u?`
`Hoort dat ook bij de enquête?` vraag ik.
`Dit is de laatste vraag van de enquête, dat weet ik,` ze houdt haar hoofd iets schuin en kijkt me aan.
`En de andere vragen, ben je die kwijt?`
`Die vind ik thuis wel,` haar woorden overtuigen me niet.
Ik zeg mijn leeftijd.
`O, grappig, dan zijn we even oud.`
`Ben je niet gepensioneerd?` vraag ik.
Ze negeert mijn vraag en zegt:
`Dank je voor het gesprek, je was de eerste en de laatste vandaag, ik ga naar huis, achter de geranium zitten, lekker rustig. `
Met stevige stappen loopt ze mijn leven uit.

De schoonmaker

Net op tijd kunnen we onze benen optrekken. De schoonmaakwagen rijdt met een brommend geluid rakelings langs onze stoelen. Uit onze monden klinkt tegelijkertijd: `kijk uit`. De man boven op het gevaarte, wat meer lijkt op een kleine tank, hoort en ziet ons niet. Zigzaggend slingert hij door de ruimte, een vochtig spoor achterlatend. Halverwege draait hij met zijn kar en rijdt onze richting weer op, zijn blik reikt niet verder dan de grond, zijn vooruitziende blik is ver te zoeken.
`Ho,` schreeuw ik naar hem terwijl ik begin te zwaaien hopend dat hij mij vanuit zijn ooghoek ziet. Net op tijd zwaait hij af en rijdt richting de muur, voordat hij uit ons zicht verdwijnt schreeuwt hij boven het gebrom uit:`Ik heb geen toeter,` een brede lach verschijnt op zijn gezicht. Hij doet me denken aan een jongetje in de botsautootjes die plezier heeft in het net ontwijken van een andere botsauto.

Ik schiet in de lach, ach het was ook een welkom moment van afleiding, er waren minuten voorbij gegaan dat ik me niet bewust was van de tijd, dat ik het wachten niet als wachten voelde. Even was ik vergeten waarvoor ik hier ben en had dat samentrekkende gevoel in mijn maagstreek niet om mijn aandacht gevraagd. Het was een bekend gevoel wat de kop opstak als ik me bevond in dat ongewisse gebied wachtend op het moment van ontlading.

Toen we aankwamen op Schiphol zagen we dat het vliegtuig uit Turkije al geland was. Onze zoon zou terugkomen van twee maanden Zuid-Afrika en vloog via Ankara. De keren dat we hem wegbrachten en ophaalde zijn niet meer op één hand te tellen. Zijn eerste reis was als jongentje van tien jaar, in zijn lagere school periode. Hij ging naar Turkije in het kader van een uitwisseling. Daarna volgde Portugal, Bolivia, vele malen Spanje en nu naar Zuid-Afrika. Het zijn momenten die ons als ouders weer samenbrengt. Waar we weer even pappa en mama zijn in gespannen afwachting van ons kind, die ondertussen een volwassen man is geworden.

Er is één uur voorbij gegaan. Plukjes mensen komen door de deur, die sluit zodra de stroom stopt.
Ik bel mijn zoon. Een hard ondergronds gegrom klinkt in mijn oor, het is zijn welkomstgroet op het antwoordapparaat.
`Misschien hebben ze het vliegtuig gemist,` fluister ik.
`Ik moet even naar de wc,` zegt de vader van mijn zoon.
`Ben je snel weer terug?` zeg ik.
Ik hoor mijn stem, hij lijkt te wankelen. Het is zo’n stem die eigenlijk wil dat de ander blijft maar waarvan je weet dat hij gewoon gaat. Het is een oud gevoel wat boven komt drijven. Het verbaasd me hoe snel je in een oud patroon kunt terugvallen zodra je weer dingen met elkaar doet, die met `toen` te maken hebben. Na tien minuten is hij terug en hoor ik een diepe zucht uit mijn mond ontsnappen.

Er gaat een mobieltje af, zijn vader neemt op.
`O,` waar dan?` zegt hij terwijl hij om zich heen kijkt, ik volg zijn blik en boven de menigte zie ik het lachende gezicht van mijn zoon.
Even later volgt een omhelzing, een zoen.
Hij is weer thuis.

Als we richting de trap lopen, komt de schoonmaakwagen opnieuw onze kant oprijden, alsof hij op ons heeft gewacht.
`Geen toeter,` roept hij opnieuw naar ons met een grote lach op zijn gezicht en zwenkt net op tijd af.
Ineens snap ik het.
Hij mist de botsautootjes op de kermis.