Zwemmen

Ik bots tegen een muur van geluid aan als ik de trap oploop naar de omkleedhokjes van het zwembad in Amsterdam-Oost. De geluiden in een zwembad klinken altijd hol en hard maar dit overtreft alles. Bovengekomen kan ik het hele zwembad overzien. In het ondiepe bad krioelen vrouwen door en over elkaar heen, een menselijke mierenhoop. Het grote bad is in banen verdeeld, waar vrouwen de schoolslag zwemmen. In de buitenste baan zwemmen ze borstcrawl, armen maaien door het water. Het is de snelste baan.
Verspreidt over de andere banen hangen vrouwen in de touwen met rode ballen.
Het ‘ vrouwenuurtje’ in het Oosterparkbad is ook een ontmoetingsplek voor moslimvrouwen.

Ik loop wat onwennig in mijn nieuwe badpak de trap af naar het zwembad. Het is lang geleden dat ik schaars gekleed onder de mensen was. Het voelt alsof ik naakt ben en alle ogen op mij gericht zijn. Als ik opkijk, is er niemand die op me let, het is weer zo’n gedachte die me uit balans brengt en niet op waarheid berust.

Op het moment dat het water zich om me heen sluit voelt het als een weerzien na een jarenlange scheiding. Als ik mijn armen spreidt en het water naar achteren duw en invoeg in de rij zwemmende vrouwen voel ik me als een kind zo blij. Ik ben het nog niet verleerd, de slag van het zwemmen, het is net als fietsen, eenmaal aangeleerd vergeet je het niet meer.

In mijn jeugd zat ik een korte periode op wedstrijd zwemmen maar ik was niet opgewassen tegen de autoritaire houding van de trainer. Het zijn herinneringen die ik nooit ben vergeten. De beelden kan ik zo terughalen. Zijn immense gestalte die staande op de rand van het zwembad boven mij uit toornde. Zijn gebrul, zijn woede en rood aanlopende hoofd als je niet snel genoeg zwom. Een tweede plaats was niet genoeg, je moest gaan voor de eerste.
Lange tijd was ik het plezier in het zwemmen kwijt.

Ik zwem. De schoolslag, die heerlijke beweging, dat glijden door het water, met mijn armen uitspreidend door het water, waardoor het uit één wijkt.
Ben ik nou zo snel, heb ik de kracht, van lang geleden, nog in mijn armen en benen zitten? Ik moet mijn tempo aanpassen. Het is net als fietsen door de stad tijdens de spits, met die ene fietser die het niet bij kan houden. Het verschil is dat ik dan kan passeren en nu niet, hier liggen tegenliggers op de loer. Ik kijk met enige jaloezie naar de borstcrawlbaan.

De maandag daarop ga ik gemengd zwemmen, oud en jonge mannen en vrouwen zwemmen rustig hun baantje zonder onderbreking. Er wordt weinig gepraat. Nergens zijn opstoppingen, versperringen, files. Nu ben ik degene die langzaam zwemt en ik dacht nog wel…
`Sorry,` zeg ik tegen twee jonge meiden die me passeren, met boven op hun hoofd een toren van haren.
`Geef niet hoor, we hebben allemaal ons eigen tempo,` zegt één van de vrouwen en ze zwemmen in snelle schoolslag aan me voorbij. Als ze voor me zwemmen, doe ik nog een poging ze bij te houden en hoor ik de stem van mijn oude trainer in mijn hoofd.
`Doorgaan, doorgaan.`
Als het gat steeds groter wordt haak ik af. Het zwemmen is geen wedstrijd meer, ik mag nu zwemmen in mijn eigen tempo.
De jonge meid, van zeker veertig jaar jonger, had het me net verteld.