Zo’n dag

Ik parkeer mijn fiets voor de Jumbo van het winkelcentrum Brazilië. Terwijl ik met mijn slot bezig ben komt er een jongeman ‘te dicht’ bij me staan.
‘Een gratis Parool, mevrouw?’ vraagt hij.
‘Nee,’ antwoord ik.
Hij doet een stap achteruit.
‘Een gratis Parool meneer?’ roept hij naar en een man die ons passeert.
De man reageert niet.
‘Een Parooltje, mevrouw?’ vraagt hij, opnieuw komt hij ‘te dicht’ bij me staan.
‘Ik zei ‘neen.’
Deze jongen werkt op mijn zenuwen, ik kijk hem met een vernietigende blik aan, als blikken hadden kunnen doden…
Het lijkt hem niets te doen, draait zich om en roept tegen een vrouw die verderop loopt.
‘Gratis Parool, mevrouw?’

Als ze op zijn aanbod ingaat zal hij meteen beginnen met zijn verkooppraatje. Dat is de rede waarom ik nooit een gratis krantje neem. De rollen worden meteen omgedraaid en ik moet de verkoper ervan overtuigen dat ik geen proefabonnement wil.
‘U kunt toch bijna niet zonder een echte Amsterdamse krant?’ zou hij zeggen.

Het is niet mijn dag vandaag. Met mijn verkeerde been…zoiets moet het zijn.
Het is zo’n dag waarop ik niets kan hebben en dan komt er zo’n arrogant knulletje tegen mij aan lopen zeiken met zijn miezerige krantje. Mijn humeur is tot het nulpunt gedaald.
Snel boodschappen doen en thuis op de bank met een kop thee een serietje kijken. Alsof dat helpt, nee dus, ik zal me alleen maar schuldig voelen dat ik wat voor de tv hang en niets nuttigs doe.
Schrijven, zal ik daar mijn rothumeur mee oplossen? Natuurlijk niet, mijn ervaring is dat ik met zo’n humeur geen letter op papier krijg, het zal me alleen nog meer frustreren. Ik las ooit in het tijdschrift ‘Schrijven’: ‘Schrijf nooit met een rothumeur want het sijpelt door in de taal en dan worden de zinnen minder mooi’.
Maar wat dan?
Misschien een programma kijken wat het leed van anderen etaleert, dat kan me wel is helpen. Waarom doe ik zo mijn best om me niet ongelukkig te voelen en accepteer ik niet gewoon dat het weer ‘zo’n dag’ is?

Terug van boodschappen sjouw ik met mijn fietstassen richting mijn fiets en loop langs de jongen.
‘Een Parool, mevrouw?’ hoor ik achter me.
Ik reageer niet meer.

Thuisgekomen plof ik neer op de bank met een kop thee. Witske, één van mijn poesen, heeft zich onder mijn kin, op mijn borst genesteld, zijn ruwe tongetje likt mijn hand, ze maakt een spinnend geluid. Ze geniet van mijn nabijheid en ik kan dit moeilijk verstoren door op te staan. Ik blijf zitten en wentel mij in mijn ‘ongelukkig zijn’ en moet nu wel accepteren dat het mijn dag niet is vandaag.
Morgen is alles weer anders.

Tijd

De ware tijd komt pas tot leven als de klokken zwijgen.
William Faulkner.

Tijd.

Vandaag heb ik alle tijd.
Ik fiets de stad uit, langs de Amstel richting Ouderkerk. Mijn nieuwe Rih-fiets maakt het trappen lichter, ik fiets regelmatig Waterland in, om langs het IJsselmeer terug te fietsen. Ik hou van de weidsheid van het water, het gevoel van vrijheid wat ik ervaar als ik de vogels in een zwerm boven mijn hoofd vliegen. Vandaag gaat mijn fietstocht naar het zuidelijk deel van de stad, waar een ander stuk van mijn leven ligt.

Halverwege mijn tocht strijk ik neer op een bankje aan de Amstel.
Het zonlicht schittert over het water en er ontstaan flikkerende sterretjes, als vuurwerk. Ik kijk naar de wolkjes die door de wind langs me heen worden geblazen, het riet dat zich laat meevoeren. Twee eenden tegenover elkaar, reiken hun hals ver boven het water uit, bewegen naar voren en naar achteren, een rituelen dans. Plotseling duikt één van hen onder water om verderop weer op te duiken, de ander volgt. Het schouwspel van de natuur, het maakt me stil van binnen, ik zink weg in een gevoel van tevredenheid.
De tijd staat even stil.

Het is mijn innerlijke tijd die ik meestal ervaar als ik alleen ben, een wandeling langs de zee maak, of me laat omringen door bomen, of zoals nu zittend op een bankje langs de Amstel.
In de natuur kom ik het dichst bij de tijd die eventjes lijkt stil te staat.

De tijd. Ik denk aan mijn periode van afzondering in Zuid- Frankrijk. In die periode was ik me niet bewust van de tijd en moest ik me inspannen om erachter te komen wat voor een dag het was, een woensdag, donderdag of misschien toch vrijdag?
Ik was toen uit de wereld van de tijd gestapt en kon de rijkdom van mijn innerlijke tijd ervaren. Het bracht me rust en inspiratie.

Even later fiets ik verder langs het kronkelende water van de Amstel, door Ouderkerk, richting Abcoude, het dorp waar een deel van mijn leven ligt. Het stukje groen is er nog. Ik denk terug aan ons zondagochtendritueel, fietsend vanuit Abcoude met mijn zoontje voor op de fiets, om het paard met veulentje gedag te zeggen. Het weiland is nu leeg.

Rond vier uur nader ik de stad, op de Berlagebrug kom ik in een fietserfile terecht en wordt ik meegenomen met de snelheid van de stad. De tijd die zo langzaam aan me voorbij trok is nu weer sneller gaan tikken. Het blijft een kunst om een evenwicht te vinden tussen de persoonlijke en de kloktijd.
De tijd zal het mij leren.

De weg kwijt

Vanuit mijn raam op de vijfde etage heb ik een mooi uitzicht over het water van het Buiten-IJ. Op het pad dat er langs ligt worden honden uitgelaten en komen wandelaars en fietsers langs, die soms een pauze nemen op de bank of aan de picknicktafels die daar staan. Niets bijzonders. Tot die woensdagochtend.

Het is een zonnige woensdagochtend, ik zit aan mijn bureau te schrijven. Ik ben in een euforische stemming, het einde van mijn derde verhaal is in zicht. Het blijft altijd een worsteling om een slot te verzinnen.
Rond de picknicktafel zijn drie mensen gaan zitten, ze hebben een wijde cape aan met een capuchon. Drie fietsen staan tegen een boom geparkeerd. Een van hen staat op en gaat onder het boompje op haar hurken zitten en doet een plas. De rol wc papier tekent wit af tegen het zwart van haar cape.

Niet veel later staan ze op, pakken hun fiets en lopen achter elkaar richting het pad. Het is geen normaal loopje maar ze trekken hun benen tegelijkertijd tot boven de knie op. Op het pad aangekomen stappen ze op de fiets, draaien vijf rondjes op het asfalt en fietsen daarna, in een rechte lijn, richting het zuidelijk deel van het eiland. Halverwege het pad draaien ze om en fietsen terug om onder de brug te verdwijnen. Het duurt even voordat ze aan de andere kant tevoorschijn komen en een afslag nemen. In de bocht steken ze hun hand uit, kaarsrecht blijven hun armen seconden lang in de lucht hangen. Ze fietsen richting de Amsterdamse brug.

Meestal zit ik rustig in mijn werkkamer wat naar buiten te staren naar de vertrouwde taferelen, wat weg te mijmeren, of zoekend naar de volmaakte zin, die ik nooit vind omdat ik er zo naar op zoek ben.
Het laatste kwartier heb ik met verbazing gekeken naar het schouwspel wat zich voor mijn neus afspeelde. Deze mensen hadden me verrast, verbaasd en me achtergelaten met vragen die nooit beantwoord zullen worden.

Zeg nooit…
Als ik een kwartier later richting oost fiets, ligt onder de brug het antwoord. Drie vrouwen staan in een kringetje over iets heen gebogen, ze hebben hun capuchons afgedaan.
Ze kijken me lachend aan als ik stop en ze groet.
‘Misschien kan zij het doen?’ zegt de middelste vrouw tegen de anderen.
Ze kijken me alle drie verwachtingsvol aan.
‘Wat?’ vraag ik.
‘Eén scene staat er nog niet goed op, misschien wil…’
‘…ohhh, jullie zijn aan het filmen!’ onderbreek ik haar blij verrast met het antwoord. Waarom heb ik dit niet gezien?
‘Wat dacht jij dan?’ vraagt een van de vrouwen.
‘Dat jullie de weg kwijt waren?’
‘De weg kwijt of verdwaald?’
‘Van allebei een beetje,’ zeg ik.
‘We maken een filmpje voor een vriendin, één scene wil maar niet lukken,’ zegt de middelste vrouw en houdt een iphone omhoog. Niet veel later heb ik de scene op beeld, de drie vrouwen, fietsend om de hoek met hun armen als wegwijzer in de in de lucht. Ze kijken tevreden naar het schermpje.

Ik neem afscheid en fiets richting de sluizen, links van de weg is Niek Konijn BV met zijn machine de grond aan het bewerken voor de Sluisbuurt, een nieuwbouwwijk die er gaat komen, rechts liggen de Oranjesluizen. Het is een omweg naar oost maar ik fiets graag op de dijk langs het water.
In de verte ligt de Amsterdamse brug, als ik hem nader zie ik de vrouwen fietsen, in een rijtje, de wind speelt met hun zwarte cape, een prachtig beeld voor hun filmpje.