Schuld

Achttien was ik toen ik wegging van huis naar een vreemd land ver weg van mijn dorp. ‘Het kan zo niet langer’ waren haar woorden. ‘Er moet iets gebeuren,’ zei hij.
Ongemakkelijk was het, een niet te dragen spanning die als een deken over ons heen lag en ons steeds verder naar beneden drukte, we stikten in elkaars nabijheid.
Ik kreeg de schuld van dit ongemak, ik hield me niet aan afspraken, negeerde mijn vader en reageerde niet op de beschuldigingen van mijn moeder. Ik was een ontregelende puber, wilde niet gevormd worden door mijn omgeving, wilde mezelf niet kwijtraken, vrij zijn.
Ik ging naar een plek waar ik beperkt werd in mijn vrijheid, straf kreeg als ik mezelf liet zien in al mijn spontaniteit, genegeerd werd als ik me niet aan de regels hield. Vreemde ogen dwongen mij te luisteren en in het gareel te lopen. Toen ik weer thuis was liep ik in de pas, gevormd en gekneed tot een dochter die mijn ouders wilde. Ik had schuld bekend.

Mijn jeugd ligt ver achter me, maar het thema ‘schuld’ kleeft nog aan me. Door de jaren heen is de lijm losgelaten, de scherpe hoekjes zijn er van af maar toch…het blijft een gevoelig onderwerp en dringt met tussenpozen mijn leven binnen.
Mijn directheid en spontaan reageren (ik ben het niet kwijtgeraakt) kan confronterend en ontregelend werken voor anderen en de kans bestaat dat mensen zich ongemakkelijk voelen, boos worden en mij de schuld geven. Het kunnen harde beschuldigingen zijn die me raken en uit balans brengen, maar gelukkig niet voor lang.
Ik hoef niet meer door iedereen aardig gevonden worden.

Soms zijn de beschuldigingen zachter, als de windvlaag, die een piepklein-pakketje bij me aflevert. Ik maak het open omdat ik weet dat dit pakje niet die hardheid in zich meedraagt en mij niet persoonlijk raakt. Achteraf moet ik er om grinniken omdat het duidelijk is dat het niets met mij te maken heeft maar met de frustratie van de ander.
Zoals die ochtend in het Flevopark.

Het was druk in het park met mensen die hun hond uitlieten. Ik liep richting de uitgang met Rolf, de hond van een vriendin. Een vrouw kwam me tegemoet joggen, ze was al een paar keer angstvallig uitgeweken voor honden, ook toen ze Rolf zag. Ik had met haar te doen en mijn opmerking was oprecht en met goede raad aan haar:
‘Als je zo bang bent voor honden kun je rond deze tijd beter niet in het park komen.’
‘Honden mogen hier niet los,’ zei ze en rende er als en haas vandoor.
Op hetzelfde moment passeerde een oudere man mij, zijn hoed hing aan een touwtje losjes op zijn rug. Hij draaide zich om en zei:
‘Mevrouw, die opspringende honden zijn vervelend.’
‘Hij sprong niet,’ verdedigde ik mezelf.
Hij ging door.
‘Mevrouw, hij had kunnen springen, honden mogen hier niet los.’
‘In dit gedeelte van het park mogen ze wel los.’
Daar had hij niet van terug, dus gooide hij het over een ander boeg.
‘Mevrouw, ik ken jouw type,’ zei hij.
‘O, ja, vertel?’ vroeg ik, ik was oprecht nieuwsgierig naar zijn antwoord.
‘Mevrouw, het is ikke, ikke, alleen maar ikke.’
‘Waar baseer je dat op?’
‘Mevrouw, u houdt geen rekening met anderen. Je zou maar getrouwd zijn met een vrouw als u.’
Terwijl hij dit zei schudde hij met zijn hoofd, zijn hoed wiebelde mee op zijn rug.
‘Waarom blijf je mij mevrouw noemen en me aanspreken met u, terwijl je zulke lelijke dingen over me zegt? Je kent me niet eens,’ zei ik.
Hij liep door, de hoed op zijn rug zwiepte nu hard heen en weer, het was vast zijn woede die er via zijn rug uitkwam. Deze man was boos niet alleen op mij maar op de hele wereld.
Ik keek hem na tot hij om de hoek was verdwenen en gooide nog een keer de stok in het water, Rolf sprong er achteraan. Ik dacht na over zijn laatste woorden. `Je zou maar getrouwd zijn met een vrouw als u.’ zei hij.
Daar moest ik hem wel gelijk in geven.