Roelof Hartplein

Op een woensdagmiddag loop ik langs Huize Lydia op het Roelof Hartplein. Voor het buurthuis liggen drie stenen met een tekst erop,  de letters zijn door elkaar gehusseld, het is een gepuzzel om de woorden te ontrafelen. Er staat: `Welkom`, Ontmoeting`, `Echte aandacht`, `Ik luister`, `Contact’. Op de middelste steen staat het nummer van Sensoor, een telefonische hulpdienst. Verderop staan banken, ik ga zitten, het staal drukt hard in mijn vlees en de leuning nodig niet uit tot achteroverleunen.

Een vrouw achter een rollator komt mijn kant op geschuifeld, ze heeft een bloemetjesjurk aan die als een tent rond haar lichaam valt, haar voeten zijn gestoken in herenpantoffels. Bij elke stap rust ze uit. Ze gaat op de bank naast me zitten en haalt uit haar handtas een spiegel op een steeltje en stift haar lippen rood.

Naast mij gaat een andere vrouw zitten, ze praat hard in haar telefoon.
Tussen ons in zet ze een papieren zak met Turkse broden in dun plastic.
`Wat geweldig voor je. Ik ben blijjjjjj.`
`Nee, mens houdt toch op, dit is echt top, gefeliciteerd.`

De vrouw met de bloemetjesjurk doet een poging om op te staan maar valt halverwege terug op de bank. Met steun van haar rollator lukt het haar wel, ze loopt verder.

`Jij hebt er werk van gemaakt dus terecht dat ze jou hebben aangenomen.`
Het is een halve minuut stil, ondertussen plukt ze aan haar rok.
Ze gaat verder:
`Ja, natuurlijk snap ik dat maar geloof me, ze hadden geen betere kunnen kiezen.`
`Hallo, ik moeten ophangen, ik rij de tunnel in.’
Ze stopt haar mobiel in haar tas en kijkt mijn kant op.
‘Welke tunnel?’ vraag ik.
‘IJ-tunnel,’ zegt ze.

‘Prettige dag nog.’ zegt ze.
Ze staat op, haalt haar hand door haar haren, pakt de papieren tas en loopt naar het zebrapad, het licht staat op rood. Ze draait ze zich om en zegt:
‘Ik had verdomme die functie moeten krijgen.’
Het licht springt op groen, ze steek het zebrapad over en loopt richting ‘Wildschut’.
Verderop zie ik een stuk van de bloemetjesjurk om de hoek verdwijnen.