Roelof Hartplein

Op een woensdagmiddag loop ik langs Huize Lydia op het Roelof Hartplein. De gemeente heeft voor het buurthuis drie stenen geplaatst, het is even puzzelen om de woorden op deze stenen te ontcijferen maar uiteindelijk ontdek ik: `Welkom`, Ontmoeting`, `Echte aandacht`,`Ik luister`, `Contact’. Op de middelste steen staat het nummer van Sensoor, een telefonische hulpdienst.

Naast de stenen staan twee stalen banken. Veel van deze banken staan verspreid over de stad, op pleinen en aan de waterkant. Ik kan er nooit lang op zitten, het ijzer drukt hard in mijn vlees en de vorm van de leuning nodig niet uit tot achteroverleunen. Ik ga op de middelste steen zitten en wordt begroet met de tekst`Dag buurman’.

Een vrouw van middelbare leeftijd komt mijn kant opgelopen. Ze heeft een bloemetjesjurk aan die als een tent rond haar lichaam valt, haar voeten zijn gestoken in herenpantoffels. Om de hoek, in de J.M. Coenenstraat, ligt een tehuis voor dak en thuislozen. Bij elke stap rust ze uit op een rollator en slaakt een zucht. Ze strijkt neer op één van de ijzeren banken en ademt zwaar. Uit haar handtas haalt ze een spiegel op een steeltje en bekijkt zichzelf, ze pakt een lippenstift en stift haar lippen rood.

Het is woensdagmiddag, de Babboe-city’s trekken aan mij voorbij, fietsend met de kinderen in de bak op weg naar huis of anders. Ze zijn niet meer weg te denken uit het straatbeeld van Amsterdam, net als de zuurstok-roze, of grasgroene bakken, voor of achterop de fiets.

Op de bank naast me gaat een vrouw zitten, ze praat luid in haar mobiele telefoon.
`Wat geweldig voor je. Ik ben blijjjjjj.`
`Nee, mens houdt toch op, dit is echt top, gefeliciteerd.`

De vrouw met de bloemetjesjurk doet een poging om op te staan maar valt halverwege terug op de bank. Met steun van haar rollater probeert ze het opnieuw, deze keer lukt het, ze loopt verder.

`Jij bent diegene die er werk van heeft gemaakt dus terecht dat ze jou hebben aangenomen.`
Ik kijk naar de benen van de vrouw, ze zijn gestoken in halfhoge veterlaarsjes, naast haat staat een papieren tas met twee Turkse broden in dun plastic.
Het is een halve minuut stil, ondertussen plukt ze iets van aan haar rok. Ze gaat verder:
`Ja, natuurlijk snap ik dat maar geloof me, ze hadden geen betere kunnen uitkiezen.`
`Hallo, ik moeten ophangen, ik rij de tunnel in.`
Ze stopt haar mobiel in haar tas en kijkt mijn kant op.
‘Welke tunnel?’ vraag ik.
‘IJ-tunnel,’ zegt ze.

Niet veel staat ze op, haalt haar hand door haar haren, pakt de papieren tas en loopt naar het zebrapad, het licht staat op rood. Ze draait ze zich om en zegt tegen mij:
‘Ik had verdomme die functie moeten krijgen’, de woede spat uit haar ogen.
Het licht springt op groen, ze steek het zebrapad over en loopt richting ‘Wildschut’.
Verderop zie ik een stuk van de bloemetjesjurk om de hoek verdwijnen.