Per ongeluk

Aan het einde van de middag fiets ik naar een vriendin. Als ik bij de brug kom zinkt hij net in een traag tempo naar beneden, een bel rinkelt, de slagboom stijgt naar de hemel. De tweede straat rechts is de Baarsstraat, ik steek mijn hand uit en sla af. De lantaarnpaal voor de flat is vrij, ik zwenk de stoep op, iets houdt me tegen. Achter me hoor een doffe klap.

Er ligt een man op de weg, zijn fiets half op hem.
`Die stomme fietsers, ze steken nooit hun hand uit.`
Op dat moment dringt het pas tot me door dat hij het over mij heeft en ik de oorzaak ben van deze val.
`Sorry.`
`Boerentrut.`

Ik moet denken aan gisteren, een man had me uitgescholden omdat ik in de weg liep.
`Uitkijken, tyfushoer, kankerkut.
Boerentrut klinkt hierdoor lieflijk.

De man wrijft afwisselend over zijn bovenarm en been.
`Die stomme fietsers, ze kijken nooit uit.`
Zijn stem slaat over.
`Wat heeft u?`
`Pijn, ik heb pijn, trut.`
`Het spijt me.`

Hij staat nog steeds op dezelfde plaats en kijkt me voor het eerst recht aan. Zijn ogen lijken in de verte zwarte stipjes, ze zijn vochtig. Grijze slierten haar hangen voor zijn gezicht.
`Het is nooit genoeg,’ zegt hij.

Dan begrijp ik dat zijn reactie niet alleen met mij te maken heeft maar dat dit incident iets bij hem heeft aangeraakt. Ik kan het niet goed maken. Nooit.
Ik zet mijn fiets vast aan de paal.

`Ik ben gevallen, ze stak haar hand niet uit,` hoor ik de man nu vriendelijk praten.
Er staat en vrouw naast hem, haar hand rust op zijn rug.
`Wat erg Nico, en je hebt het al zo moeilijk, zal ik je naar huis brengen?`
`Ach, Emma, het valt wel mee hoor.`
Ze lopen gearmd langs me.
`Hij is net weduwnaar geworden en dan dit, ik hoop niet dat u hetzelfde overkomt.`
`Het beste met u, meneer. `
Hij steek zijn hand op zonder om te kijken.

Snelle Jelle

Vlak voor mijn neus hadden de deuren zich gesloten, de trein zette zich langzaam in beweging. Een man die aan kwam rennen drukte nog op het knopje, zonder resultaat.
`Ik moet naar Beverwijk,’ zegt hij in het voorbijgaan.
`Over een half uur gaat er weer een trein,’ stel ik hem gerust.

Bij het hokje op het perron bestel ik een koffie verkeerd. De vrouw vraagt me of ik er een Snelle Jelle bij wil.
Ze wijst naar een mandje op de toonbank. Ze heeft rood gelakte nagels en rode lippen en kort donker haar.
Wat in het mandje ligt lijkt op een ontbijtkoek. Het is verpakt in doorzichtig cellofaan en er staat met blauw letters Snelle Jelle op.
`Het is voor een, ontbijt- en tussendoor moment, een krachtige kruidenkoek,’ hoor ik de vrouw zeggen.
`Een krachtige kruidenkoek?`
`Een (te) krachtige kruidenkoek. Wilt u?`
Ze giechelt.
`Is het nu een ontbijt-en tussendoor moment?
Ze kijkt naar de klok op het perron.
`Het is tien uur.`
`Elf uur lijkt is een beter ontbijt en tussendoor moment.`
`Dat is voor iedereen anders. We ontbijten niet allemaal op dezelfde tijd.`
`Dat is zo.`
Er komt een hoop lawaai vanuit het hokje. Ze kijkt opzij.
`O, jee, ik moet de melk bijvullen, heeft u even?`
Ze duikt het hok in. Als ze weer te voorschijn komt gaat ze verder:
`U kent die reclame toch wel van die naakte man die over het grasveld loopt richting de rode telefooncel en daar zijn vrouw belt?`
`Nee.`
`Echt niet?`
Ze kijkt me aan, haar mond valt een beetje open.
`Hij rust uit na een zware fietstocht en eet een Snelle Jelle en zegt dan tegen zijn vrienden terwijl hij zich uitkleed: `Ik ga lekker een stukje zwemmen en duikt in zee.
De geluiden in het hok worden sterker.
Weer verdwijnt de vrouw naar achteren.
Ik pak een Snelle Jelle en lees de verpakking, honderd gram is 289 kcal. Ik leg Jelle terug in zijn mandje.
Even later komt ze te voorschijn met mijn koffie in een kartonnen bekertje met een plastic dekseltje erop. Ze zet het op de toonbank.
`Wil je er één?`
`Nee het is nu niet mijn moment.`
`Jammer.`
`Verdien je eraan als je een Jelle verkoopt.`
Ze buigt zich voorover en rangschikt de Snelle Jelle’s in het mandje.
`Het gaat om de fooi. Een koffie en een Snelle Jelle is 3,79 euro meestal geven ze dan 4,00 euro en zeggen: `laat maar zitten.`
`Mooi. Die Snelle Jelle toch?`
Ik pak mijn koffie van de toonbank en haal het dekseltje eraf.
`Wilt U?`
`Nee, dank je ik heb net ontbeten.`
Ik geef haar 2,50.
`Laat maar zitten.`
`Dank u wel.`

Wachtend op het perron loopt de man langs me, die samen met mij de trein had gemist. In zijn ene hand heeft hij een kartonnen bekertje koffie en in zijn andere een (te) krachtige kruidenkoek. Hij heeft de koek uit het cellofaan geschoven en neemt er een flinke hap van.
Ik denk aan de vrouw.
Verkopen kan ze.