Wennen hé?

1402934718y6cdzOp een dag is ze mijn leven binnen komen fietsen, sindsdien duikt ze regelmatig op als ik in het Vondelpark loop, ze begroet me alsof we de dikste vriendinnen zijn. Zodra ze me ziet rijdt ze op me af en gaat voor me staan, haar fiets tussen de benen, armen leunend op het stuur. Ze neemt altijd ruim de tijd voor onze ontmoeting, wat mij niet altijd goed uitkomt. Als ik haar in de verte aan zie komen fietsen, is mijn eerste reflex om weg te duiken, een zijpad in, of desnoods me achter een boom te verstoppen.

Ik ontkom nooit aan haar blik, ze ziet me altijd en begint vanuit de verte al met een breed gebaar naar me te zwaaien. Ze heeft een vollemaansgezicht met een altijd zonnige uitstraling. Als ze voor me staat kijkt ze me met een verwachtingsvolle blik aan: `jij hebt mij vast iets leuks te vertellen.`
`Waar kennen wij elkaar eigenlijk van?` vroeg ik haar op een dag.
`Gekkie, dat weet je toch wel!`
`Nee, ik heb me suf lopen denken.`
`Hier, we kennen elkaar van hier, het park.`
`O.`
`Verder niet.`
`Dat hoeft toch niet, schat.`

Gisteren fietste ze me voorbij. Ik herkende haar aan het dunne staartje wat onder haar roze muts vandaan kwam. Opgelucht loop ik verder, vandaag komt een praatje met haar me niet goed uit. Plotseling hoor ik haar stem,`goh, ik herkende je bijna niet, ben je naar de kapper geweest?`
Ze blijft naast me fietsen en kijkt me aan met haar altijd vrolijke gezicht met die eeuwige lach rond haar mond.
`Apart, hoor.`
`Dat zeggen mensen wel vaker als ze iets lelijk vinden,` zeg ik geïrriteerd.
`Wat vind je er zelf van?`
`Het mag wel wat langer.`
`Ja, hé, wenneeeeeen, zo anderssss.
Ik reageer niet, versnel mijn tempo.
`Waar is je hond.`
`Hij is dood.`
`Echt, dood?`
`Half dood kan niet.`
`Oh.`
`Wennen, zeker?`
`Ja, ik laat mezelf nu uit.`
Ze giechelt.
`Apart.`
`Ja, als je het niet erg…`
`Nou ik ga maar weer,` onderbreekt ze me.
Ze fietst het pad af, het lijkt erop alsof ze ineens haast heeft.

Een week later op hetzelfde punt fietst ze me voorbij.
Ze kijkt even achterom en roept naar me.
`Vandaag heb ik geen tijd, dag.`

Schrijven

pen 2`Wat doe jij eigenlijk?` werd mij laatst gevraagd. Ik ben voor de eerste keer op vrijdagochtend aangeschoven voor het koffie-uurtje na de meditatie. Ik ken deze mensen alleen in alle stilte dus zo’n vraag had ik niet verwacht. Ik kijk naar de vrouw, die me verwachtingsvol aankijkt.
`Uhhh, ik schrijf,` ik betrap me erop dat mijn stem iets onvast  klinkt.
`Goh, wat leuk, maar wat doe je voor werk?`

Ik heb er aan moeten wennen mezelf schrijver te noemen. Wanneer kan ik schrijven mijn werk noemen vroeg ik mezelf af. Moet ik daarvoor eerst gepubliceerd hebben. Maar als je ervoor kies om in alle anonimiteit te schrijven, ben je dan geen schrijver, is het dan geen werk?
Ik hoorde laatst iemand zeggen: `Ik schrijf om het schrijven zelf.`
Wat hij zei spreekt me aan en past ook bij mij, met één verschil dat hij niet gelezen wil worden.

Ik wil wel gelezen worden. Het script van mijn eerste jeugdboek ligt te wachten in de la om uitgegeven te worden. Ik hecht er waarde aan dat dit boek door de doelgroep wordt gelezen. Mijn tweede jeugdboek is in wording en natuurlijk mijn blog waar ik mijn verhalen op kwijt kan en die met plezier gelezen worden.

Ik ben een schrijver. Omdat ik kijk met de ogen van een schrijver, ik speel met de taal, boetseer de zinnen tot een goed eindresultaat. Ik ben een schrijver omdat ik me door de stemmen in mijn hoofd laat verassen, ze laat bewegen, ze de ruimte geef te praten met elkaar zodat er een dialoog ontstaat. Ik mijn vingers op het toetsenbord laat bewegen, zodat eruit het niets iets kan ontstaan. Ik ben een schrijver omdat ik er gelukkig van wordt.

`Mijn belangrijkste werk is schrijven,` zeg ik tegen de vrouw.
`Heb je al gepubliceerd.`
`Dat gaat gebeuren.`
`Laat hé!`
`Wat bedoel je?`
`Debuteren op jouw leeftijd.`

Wat doe jij eigenlijk?
Ik ben schrijver, of het nu wel of niet gezien wordt als werk, dat is voor mij van ondergeschikt belang. Belangrijk is om te geloven dat ik een schrijver ben, en dat ben ik zolang ik schrijf.

Traan

naamloosHet loopt tegen het eind van de middag. Buiten is het grijs, de wolken hebben zich teruggetrokken, binnen is het aangenaam warm. Ik hoor buiten geschreeuw, sta op en loop naar het raam. Theo. Hij staat midden op de weg voor een auto, in zijn rechterhand een fles witte wijn. Hij maakt een proostgebaar naar de automobilist. De beweging brengt hem uit balans. Hij wankelt en kan zich nog maar net staande houden. Dan zwalkt hij de stoep weer op, struikelt over de stoeprand. De muur vangt hem op.

Theo is tien jaar mijn neefje geweest en zijn moeder mijn schoonzus. Ze woonden in de Tweede Jan Steenstraat in de Pijp. De vader van Theo was niet in beeld. Hij was een heroïneverslaafde die veel rond hing op de Zeedijk. Thea, zijn moeder, was manisch depressief en als ze werd opgenomen vanwege een psychose, logeerde Theo bij mij of bij een ander familielid. Dit gebeurde zeker één keer in het jaar.

Toen ik nog dagelijks in het park liep kwam ik Theo regelmatig tegen. Hij zat bij de vijver met zijn drinkmaatjes, omringt door rode plastic tassen.
Ook op die zonnige ochtend.
`Hallo.`
Hij had me al van een afstand gezien.
`Hoi, Theo, hoe gaat het?`
Ik kan zijn ogen niet zien door de zonnebril. Het glas schitterde me tegemoet en hij mopperde iets wat ik moeilijk kan verstaan.
`Hoe gaat het met Kees en Sanne?`
Hij stelt me altijd dezelfde vraag.
`Goed hoor.`
`Doe je de groeten?`
`Zal ik doen.`
`Niemand van mijn familie moet me.`
Theo bedoelt zijn ooms, tantes, ex-vrouw, drie kinderen. Op zijn achttiende was hij al vader van drie kinderen en op zijn achtendertigste grootvader.
`Je moeder toch wel?`
`Ja, die blijft.`
`Weet je nog?`
`Wat Theo?`
`Dat ik boven bij jou op zolder in bed lag te huilen.`
`Dat weet ik nog goed, wat was je verdrietig hé?`
Het blijft stil. Ik kijk naar hem en zie vanachter zijn zonnebril langzaam een traan over zijn wang naar beneden glijden.
Alles leek even stil te vallen, de sfeer van dat moment kon ik bijna aanraken.
`Theo, je huilt!`
We waren terug. Onder het puntdak van die klein zolderruimte, dat schokkende lijfje wat ik in mijn armen nam en zachtjes wiegde.

Nu, in het Vondelpark, kon ik niet anders dan mijn hand zachtjes over zijn wang laten glijden.
Plotseling slaat hij mijn hand weg.
`Niet waar. Rot op.`
Direct daarna stond hij op en liep naar de struiken.
`Hij moet even de plantjes water geven,`zegt de man die naast hem zit.
`Dag, Theo,` roep ik en loop door.

Ik kijk hem van achter mijn raam na. Het kost hem moeite vooruit te komen. Hij zwalkt van de ene kant van de stoep naar de andere kant. Verderop zie ik hem om de hoek verdwijnen.