Onzin

2015-09-05 12.32.25Twee Surinaamse heren zitten tegenover elkaar aan de tafel in een bruine café op de Prinsengracht. Ik zit aan een tafeltje verderop en drink mijn koffie verkeerd en lees de Volkskrant. Het is nog rustig, de barman is in de weer met het spoelen van de glazen, het geluid van het opstapelen van het glaswerk klinkt door de ruimte.

De mannen praten hard, alsof ze iets moeten overbruggen om elkaar te kunnen verstaan. Ik kijk naar ze. De ene man is tenger met een lange neus, een dun zwart streepje boven zijn lip. Een donkere glans valt over zijn kalende hoofd. De andere man is fors en heeft ook een kalend hoofd. Hij heeft grote neusgaten en een brede lach die zijn wangen in plooien doen vallen. Hij straalt optimisme uit. Het jasje met blauwe overhemd van de magere man steekt licht af tegen het donkere jasje met bontgekleurde stropdas en pochet van de gezette man.

Ze verschillen van mening over de discriminatie in Nederland.
`Er wordt hier wel degelijk gediscrimineerd,` hoor ik de magere man zeggen.
`Onzin, Nederland is het minst discrimineerde land en ik kan het weten omdat ik overal in de wereld kom,` zegt de bontgekleurde man.
`Ik wordt regelmatig aangehouden door de politie, helemaal als ik in mijn trainingpak naar de sportschool rij, daar moet jij toch ook last van hebben!`
`Het is een droom van me om door een mooie politieagente aangehouden te worden en te flirten, maar het gebeurt niet.`
Hij gooit quasi teleurstellend zijn handen met een wijds gebaar de lucht in. Hij gaat verder: `Ik raad je aan van auto te veranderen, het is alom bekend dat een Mercedes gezien wordt als een pooierbak.`
`Je maakt een grap.`
`Ik vind het een flauwekuldiscussie.`
`Het is onderzocht, dat de meeste allochtone rechtenstudenten niet terechtkomen bij de grote advocatenkantoren.`
`Onzin`,zegt de gezette man terwijl hij opstaat:`Ik moet gaan.`
`Dat is wel makkelijk.`
`Ik heb een afspraak.`
`Ik bedoel, dat je het niet wil zien.`
`Zo is het en niet anders.`
Ze rekenen af en lopen verder discussiërend het café uit de Prinsengracht op.

Het regent nog steeds dikke druppels, ik neem op de Rozengracht tram zeventien richting het Surinamerplein. Het is druk en ik moet staan. Er hangt een geur van natte jassen in de tram.
`Wilt u zitten.`
Het is een jongen van allochtone afkomst die voor me is opgestaan.
`Wat aardig van je.`
Ik kijk hem aan. Hij heeft een uitdagende blik in zijn ogen.
`Dat valt je mee hé, van zo’n allochtoon?`
Voordat ik hem antwoord kan geven hoor ik achter me: `Mag ik er even langs?` Als ik niet snel genoeg opzij ga wordt er geduwd. Op de stoel die voor mij bestemd was gaat een Surinaamse vrouw zitten, ze zet pontificaal haar handtas op haar schoot en drukt hem stevig tegen haar buik. Een stuk linker bil hangt over de rand. Ze kijkt triomfantelijk onze kant op.
`Nou?` hoor ik de jongen zeggen.
`Nou, wat?`
`Geef maar toe dat het je meevalt dat een allochtoon voor je opstaat.`
`Onzin.`
`Jij discrimineert mij.`
`Je denkt dat ik jou discrimineer, dat is iets anders.`
De vrouw die mijn plek heeft ingenomen zegt met een zwaar Surinaams accent.
`Je moet voor ze uitkijken, hoor!`

Als ik me omdraai is de jongen verdwenen, hij is door de mensenmassa richting de uitgang gelopen. Als de tram optrekt zie ik hem vanuit de rijdende tram oversteken en richting de ten Cate markt lopen.
Zonder om te kijken steekt hij zijn middelste vinger omhoog.

Goedemorgen

2011-01-01 16.27.20Er hangt een maandag-ochtendstilte in de supermarkt. Ik kan zonder tegenliggers met het supermarktwagentje richting de broodafdeling rijden. Daar sta ik, voor het schap broden en zoek naar het speltbrood wat er de vorige keer zo voor het grijpen lag.
Als ik het niet kan vinden kijk ik naar de vrouw die achter de toonbank staat. Ze staat met haar rug naar me toe en stalt de broden uit op het achterste schap.

Ik kan het gevoel niet verklaren maar het liefst loop ik door, maar om nu zonder speltbrood de winkel te verlaten lijkt me wat overdreven.

`Heeft u daar het speltbrood?`
Ze draait zich met een ruk om. Ineens snap ik mijn weerstand. Van achter haar brillenglazen kijkt ze me met een vernietigende blik aan. Goedemorgen,`bijt ze me toe.
Haar wangen bibberen terwijl ze praat. Bleke wangen, die wit afsteken tegen de donkere wallen onder haar ogen.
`Goedemorgen,` zeg ik vriendelijk.
`Gesneden?`
Er is nog niets veranderd in haar toon.
`Je kunt het ook vriendelijk vragen hoor?`zeg ik.
Ze beweeg licht met haar schouders.
Er is iets veranderd in haar stem als ze de vraagt herhaalt.
`Ja, graag,` zeg ik.
Ze legt het brood in de snijmachine en haalt de hendel over, het schokkende geluid van de machine vult de ruimte. Het halfje gesneden brood doet ze in een plastic zak. Ik heb liever een papieren zak maar ik laat het.
Ze legt het brood op de toonbank.
`Prettige dag,` zeg ik terwijl ik me omdraai.

Fietsend naar huis moet ik denken aan een voorval van vijf jaar geleden. In mijn portiek stonden regelmatig jongeren te blowen. De geur van wiet en hun harde stemmen drongen al weken mijn huis binnen. Op een avond was mijn grens bereikt woedend rukte ik mijn voordeur open. Daar hingen ze tegen de deur zaten op de trap en het stenen plateau.
`Oprotten jullie.`
Een lange jongen, keek me met bloeddoorlopen ogen aan en lachte vriendelijk. Met een Surinaams accent zei hij:
`Relax dame, respect, u kunt het toch ook vriendelijk vragen?`
Van de ene minuut op de andere was mijn boosheid weg.
`Oké, respect.`
Ik deed de deur dicht en direct daarna weer open.
`Goedenavond heren, ik wil jullie verzoeken om hier weg te gaan.`
`Natuurlijk, dame.`
Hij maakt een gebaar met zijn hand en de jongens stonden in slow motion op en verlieten mijn portiek. Ik keek ze na, hun schouders bewogen mee in het ritme van hun pas. Ik zag ze om de hoek verdwijnen.

Een week later, als ik opnieuw de winkel binnenloop, staat dezelfde vrouw achter de toonbank van het brood.
`Goedemorgen,`zeg ik
`Goedemorgen. Sorry van vorige week, ik had een rothumeur.`
`Ach, dat heb ik ook weleens.`
`Speltbrood dan maar?`
`Graag in een papieren zak.`