Praxis

Als de deuren van het Praxisfiliaal aan de Molukkenstraat zich voor mij openen hoop ik dat de vriendelijke man die me de vorige keer zo goed heeft geholpen aanwezig is op de verfafdeling

Een paar dagen eerder was ik met een blik betonverf, dat ik uit het schap had gehaald, naar de balie gelopen waar ze de kleuren mengen. Ik werd vriendelijk begroet door een jongen van een jaar of twintig.
`Natuurlijk kan dit,` zei hij, toen ik vroeg of ik het in de door mij gekozen kleur kon mengen en hem de staal liet zien.
`Ik moet alleen even kijken of deze kleur er voor deze verf is.`
`Dat zou wel heel mooi zijn.`
`Ja, die is er,` hij keek me lachend aan.
`Goed hé,` hij knikte om zijn woorden kracht bij te zetten.
Kijk daar krijg ik meteen een goed humeur van als iemand samen met mij blij is. Hij had plezier in zijn werk en dat was van zijn gezicht af te lezen.

Het is twee dagen later. Ik loop naar het schap van betonverf en haal eenzelfde blik uit het schap en loop naar de balie. Een wat oudere man staat bij de mengmachine, hij heeft een rood T-shirt aan wat zo kenmerkend voor de Praxis is.
`Goedemorgen.`
`Goedemorgen.`
Ik kijk naar hem. Uit niets blijkt dat hij mij een oprechte goedemorgen wenst. Het woord uit zijn mond klinkt alsof hij er zelf mee in gevecht is en moeite moet doen om nog iets van deze ochtend te maken.
`Kunt u dit blik in deze kleur mengen.`
Ik laat hem de staal zien.
`Nee, dat gaat niet.`
Ik kijk hem verbaasd aan.
`Twee dagen geleden kon dit wel.`
`Door wie bent u geholpen?`
`Een aardige jongeman.`
`Hoe zag hij eruit?`
`Wat doet dit er toe?`
`Ik moet dit weten, zulke fouten mogen niet gemaakt worden, het blik kan namelijk overstromen.`
`Het was ook betonverf en ik heb nu een tweede blik nodig. Ik snap hier niets van.`
`Hij had een blik van achteren moeten halen, dat is mix betonverf.`
`Is dat dezelfde verf?`
`Het is mix betonverf.`
`Het is dus gewoon betonverf. Wat doe je dan moeilijk?`
`U vraagt of ik dit blik kan mengen.`
Ondertussen tikt hij met zijn vinger op het blik.
`Dat kan niet, dit is niet dezelfde verf.`
Het blik staat nog steeds onaangeroerd tussen ons in.
`Pak nou maar een blik verf vanachter en meng het met deze kleur dat heeft uw collega ook gedaan.`
Als hij terug is met de verf zegt hij:
`Ik weet niet of het kan met die kleur.`
`Ik heb het al laten mengen met deze kleur.`
`U heeft geluk, de kleur staat erin, maar het had ook niet zo kunnen zijn, niet elke kleur is beschikbaar.`

De jongen had na het mengen van de kleur de deksel opgelicht om mij de kleur te laten zien om het daarna voorzichtig, met een speciaal kussentje, weer dicht te timmeren.
Nu wordt het blik met een klap op de toonbank gezet en verdwijnt de man tussen de blikken verf.

Ik loop met het blik in de hand naar de kassa, de kassière zegt me vriendelijk gedag. Ik ben blij verrast als ik vijfentwintig procent kassakorting krijg omdat ik voor elf uur mijn verf heb gekocht.
`Een vroege vogel actie.` zegt de vrouw achter de kassa.
`U bent nog net op tijd, om elf uur is het afgelopen.`
Op de klok zie ik dat het twee minuten voor elf is.
Had de kleurenmenger het blik voor me opengemaakt was ik mijn korting misgelopen.
Zijn klantonvriendelijkheid is tenminste ergens goed voor geweest.
Het brengt me weer in een goede stemming.

Harinkje

Het is een zaterdagmiddag in juni en druk op het Buikslotermeerplein. De viskraam stroomt over, mensen staan tot buiten de luifel te wachten op hun beurt.
Ik ga zitten tegenover de viskraam op een driezitsbank van ijzer, ik heb een salade gekocht die ik daar wil opeten voor ik mijn tocht naar huis hervat. Het zonnetje komt wat flauwtjes tevoorschijn om direct weer weg te duiken, hij heeft er vandaag geen zin in.

`Goede middag, mevrouw.`
Een oudere vrouw neemt plaats aan de andere kant van de bank, ze steunt op een rollator.
`Dat ziet er goed uit.`
Ze knikt naar de salade, waar ik het cellofaan van aftrek.
`Het ziet er heel gezond uit.`
`Ja, dat is het ook, zaden, noten en bonen.`
`Ik eet geen koolhydraten meer.`
Ik knik naar haar terwijl ik mijn eerste hap neem.
`En sinds die tijd hoef ik niet meer te spuiten.`
`Wat goed, had u suiker?`
`Ja, maar ik leef heel gezond en geniet nog van het leven, gemopper hou ik niet van.`
`Dan hebben wij elkaar gevonden,`zeg ik en neem nog een hap terwijl zij vrolijk doorpraat.
`Ik wacht op het busje.`
`Duurt dit lang?`
`Ja, maar dat maakt me niet uit, ik heb alle tijd.`

Plotseling staat een oudere dame voor ons, steunend op een stok. Ze ploft neer op de lege plek tussen ons. Ze begint luid te praten, alsof ze bang is niet gehoord te worden. Het zicht met de andere vrouw wordt me niet alleen ontnomen maar de overgang van de vriendelijke stem, naar de harde manier van praten overdonderd me. Ons prille contact wordt ineens ruw onderbroken door een energie die hier totaal niet bij past. Ik buig me voorover en kijk naar de vrouw aan de andere kant van de bank. Ze heeft zich over haar rollator heen gebogen, haar hoofd half afgewend van de vrouw.
Als deze even een adempauze neemt, buig ik me naar haar toe.
`Woont u nog zelfstandig?` vraag ik.
`Ja, maar ik heb wel een alarm.`
De vrouw naast mij wil daar ook wel iets over zeggen maar na één woord onderbreekt de andere vrouw haar.
`Ze heeft het tegen mij,` haar stem klinkt nu vinnig en niet meer vriendelijk.
De vrouw trekt zich er niets van aan en dendert door, ze stort een nieuwe woordenvloed over ons heen. Ze heeft het over de vluchtelingen maar ook komt de ouderenzorg voorbij. Ze is duidelijk boos, op alles en iedereen. De vrouw aan de andere kant van het bankje en ik kijken elkaar aan, ik geef een knipoog en de vrouw schudt haar hoofd.

`Het busje,` haar stem klinkt opgelucht.
Ik zie een witte bus de hoek omrijden en stoppen voor de viskraam.
`Nog een prettige dag,` zegt ze tegen mij.
`U ook en geniet van deze dag.`
`En het leven,` zegt ze, terwijl ze langzaam in beweging komt, ze lijkt geen haast te hebben en loopt met een slakkengangetje richting het busje. Ondertussen is de chauffeur uitgestapt en wacht geduldig op haar. Voordat ze instapt kijkt ze achterom en zwaait naar me met een lach op haar gezicht.
Een warm gevoel stroomt door mijn lichaam, weer een mooi mens ontmoet, zomaar op een zaterdagmiddag op het Buikslotermeerplein in Amsterdam Noord.

Het is stil naast me. Als ik naar de vrouw kijk, zegt ze:
`Mijn man is een paar maanden geleden overleden.`
Haar stemgeluid is een octaaf gezakt en haar woorden lijken geen haast meer te hebben.
Ik knik.
`Ik praat de hele dag, het is anders zo stil om me heen en mijn poes zegt niets terug.`
`Ik snap het hoor,` zeg ik.
`Ik wachtte hier altijd op hem, op ditzelfde bankje als hij de boodschappen deed. Daarna haalde hij een harinkje bij de viskraam en aten we het hier op, hij zat op jouw plaats, altijd op zaterdagmiddag rond deze tijd. Sinds zijn dood heb ik geen haring meer kunnen eten.`
Even leg ik mijn hand op haar arm.
`Kom ik ga maar weer is, fijn om even gepraat te hebben.` zegt ze terwijl ze opstaat.
`Dag mevrouw, prettige dag.`
Ik kijk haar na. Ze blijft halverwege staan draait zich om en zwaait.
Ik steek mijn hand op.