Verhalen

Verbaal geweld

Bij de kruising aan het begin van de Amsterdamse brug die richting het Zeeburgereiland gaat is het altijd uitkijken als ik van de Zeeburgerdijk kom. Als het licht op groen staat zorg ik ervoor dat ik aan de linker kant rij zodat ik met een sierlijke bocht over de tramrails de Amsterdamse brug op zwaai, daarvoor moet ik uitkijken of er geen auto’s richting het Flevo-bad rijden, wat zelden gebeurt. Behalve die dag, een oudere man wordt bijna aangereden.

Nog geen twee minuten later wordt de man staande gehouden door de bestuurder. Deze gaat voor de fietser staan en plaatst het wiel van de fiets tussen zijn benen. Hij komt zo dichtbij het gezicht van de man dat de neuzen maar een paar centimeters van elkaar verwijderd zijn. Ik fiets op dat moment voorbij en blijf staan net als andere mensen, we vormen een groepje rond de twee mannen. De dreiging is voelbaar en de zenuwen gieren door mijn lichaam maar ik blijf staan, waarom weet ik niet precies, ik zou de man nooit kunnen beschermen maar ik wil hem niet alleen laten.

‘Ben jij wel goed bij je hoofd,’ schreeuwt de automobilist.
De man deinst achteruit, zijn neusvleugels trillen.
‘Je bent een oudere man en dan flik je me dit, waar zit jouw verstand.’
De man zegt niets, zijn wangen bibberen.
‘Zeg sorry, ik wil dat je je excuses maakt.’
De man lijkt in shock, er komt geen woord over zijn lippen.
‘Ik weet dat als ik je nu klappen geef, ik degene ben die opgepakt wordt, dus dat doe ik niet, ik heb me leren beheersen maar je begrijpt toch wel dat je hier klappen voor verdient.’
De oudere man knikt.
‘Komt het er nog van? Je hebt een fout gemaakt dan zeg je sorry, dat heb ik ook moeten leren, dus verlang ik het ook van jou, schaam je, dat je op jouw leeftijd niet eens sorry kan zeggen.’
‘Sorry,’ zegt de man met trillende stem.
‘En zul je mij nooit meer in de weg zitten?’
‘Ik…’
‘Wat zeg je?’
‘Nee,’
‘Ik snap niet dat iemand op jouw leeftijd zulke domme dingen doet.’

Er verschijnt een vrouw in het midden van de kring en trekt de man aan zijn arm, zonder nog iets te zeggen loopt hij met haar mee. Er gaat een zucht van verlichting door de groep mensen.
‘Gaat het,’ vraag ik aan de man.
‘Ik zat wel fout hoor,’ zeg hij.
‘Fiets maar snel verder,’ is het advies van een andere fietser.
En dat doet hij, hij gaat er als een speer van door.
De groep mensen verspreidt zich verschillende kanten op, ik fiets op mijn gemakje de Amsterdamse brug over. Door de trappende beweging word ik rustiger.

Ik moet denken aan het incident van gisteren op de Schellingwoude brug, toen werd ik uitgescholden omdat ik belde om de voetgangers te waarschuwen dat ik er aankwam, het was goed bedoeld maar verkeerd begrepen, of toen ik op een rotonde reed en een automobilist voor me moest stoppen en me vanuit zijn raampje uitschold ‘rij door, tyfushoer’. Trillend reed ik verder.

Schelden doet echt wel zeer.

Borsten-bus

De vorige keer dat ik een oproep kreeg voor het bevolkingsonderzoek borstkanker ben ik niet gegaan. Het ging me niet alleen om de pijn die het doet als mijn borsten worden platgedrukt maar ik wilde niet opnieuw in de medische molen terechtkomen, want stel je voor. Nee, nu even niet, dacht ik en verscheurde de brief. Toen er zoveel jaar later, zeven jaar dus, een envelop in de brievenbus ligt, met opnieuw een oproep, maak ik een afspraak en sta een week later in de onderzoekkamer van de borsten-bus bij het Boven-IJ ziekenhuis.

In de wachtkamer ontmoet ik een vrouw die net als ik het vorige onderzoek heeft overgeslagen. Ze was al binnen geweest maar moest nog wachten of de foto’s gelukt waren.
‘Ik ook niet,’ zei ik.
‘Maar het werd niet op prijs gesteld dat ik zolang niet geweest ben,’ gaat ze verder en wijst naar de deur.
‘O,’ zeg ik.
‘Ze is streng hoor.’

‘Je mag je bovenkleding uit doen en wachten tot ik je roep,’ zegt de laborante tegen mij en wijst naar één van de kamers.
Even later mag ik binnenkomen, het mammografieapparaat staat in het midden van de kleine ruimte.
‘Is het zeven jaar geleden dat je je voor het laatst hebt laten controleren?’ vraagt ze. Ze kijkt me streng aan.
‘Dat weet ik niet precies, zou kunnen,’ zeg ik.
‘Dat weet je niet precies?’
‘Nee,’ zeg ik.
Er valt een stilte, ik heb niet de behoefte om die op te vullen. Wat verwacht ze van me?
‘Ga even opzij,’ zegt ze.
O, is dat het, ik sta in de weg, ik doe een stap naar achteren.
Ze loopt langs me en gaat links van me staan.
‘Doe een stapje achteruit,’ zegt ze.
Is ze nou boos op me, schiet het door mijn hoofd.
‘Doe een stap naar voren,’ zegt ze.
‘Leun iets naar voren,’ zegt ze.
‘Nee, nog een klein stapje,’ zegt ze.
‘Ik pak uw borst,’ zegt ze.
Deze vrouw gaat mijn borst aanraken, dat vind ik niet leuk, denk ik. Ze pakt mijn borst en legt haar op de steunplaat en drukt haar naar voren.

Ik kijk naar mijn borst en denk aan de tijd dat ik trots was op mijn borsten, ze waren zo mooi!! Dit zijn de momenten waarop het ouder worden confronterend is, ik wen er maar moeilijk aan. Wat is er nu van mijn borsten overgebleven, gelijk zijn ze allang niet meer. Mijn ene borst is groter en hangt terwijl mijn ander fier recht opstaat en niet veranderd is, achttien lentes jong, met een ontbrekende tepel, de getatoeëerde tepel is met de jaren vervaagt. Ik ben nog steeds blij met deze borst die ik van de chirurgen van het AVL heb gekregen. Zeven uur deden ze erover om van mijn buik een prachtige borst te maken en de flinterdunne bloedvaatjes aan elkaar te verbinden. Het was een intensief karweitje vertelde de chirurg me later.

‘Nog meer naar voren komen,’ zegt de laborante.
Opnieuw pakt ze mijn borst en drukt haar nog verder op de steunplaat.
Ik kijk even opzij om haar gezicht te kunnen zien.
‘Je moet naar voren kijken en je adem inhouden,’ zegt ze.
De kunstplaat druk mijn borst plat.
Ik zucht.

De machine zucht en geeft een piepgeluid, het is klaar.
Dat had je gedacht.
Ze zegt iets tegen me wat ik niet kan verstaan.
‘Zijn we klaar?’ vraag ik.
‘Nee je hoort toch wat ik zeg, de zijkant moet nog.’
‘Ik verstond je niet,’ zei ik.
‘Oké, dat kan, kom maar hier.’
Ik stap naar voren, opnieuw pakt ze mijn borst, opnieuw hou ik mijn adem in.
‘We zijn klaar, je kunt je weer aankleden,’ zegt ze.

Mijn achttienjarige borst ontkomt aan dit onderzoek, de kankercellen kunnen zich daar niet in nestelen, heeft zij even mazzel.

Verslaafd

Genietend van de eerste zonnestralen die door mijn huid heendringen en die mij ook van binnen verwarmen, zit ik op een bankje op het Zeeburgereiland aan de rand van de skatebaan in de Sportheldenbuurt. Het hart van het eiland is vol levendigheid, daar ligt het grootste skatepark van Europa van zo’n 3000 m2, gebouwd op de oude rioolwateringszuiveringsinstallatie. Jong, oud, op stepje of skatebord, ervaren en minder beoefend maken er gebruik van. Er is voor elk een stukje baan waar je kunt oefenen om daarna over te gaan naar het volgende level. Sinds het skatepark er is, is de levendigheid toegenomen op het eiland, de kern is als een bruisend middelpunt van een dorp. Het is plezierig wonen, het past meer bij me dan de drukte van de stad die meer energie van me neemt dan dat het me geeft.

Een jongetje van een jaar of vijf oefent met zijn stepje en haalt het volgende heuveltje net niet en komt op het beton van de baan terecht en huilt. De moeder komt aanrennen en troost hem. Even later lopen ze samen terug naar het einde van de baan, hij gaat opnieuw de confrontatie aan. De eerste twee heuveltjes neemt hij met gemak, dan komt de volgende, die van de valpartij. Hij redt het niet maar laat zijn stepje los die alleen het heuveltje op en af rijdt, het voorkomt een val. Zijn moeder geeft hem een compliment. Met een warm gevoel denk ik aan mijn kleinzoon en sluit mijn ogen.

‘Hallo,’ hoor ik een stem naast me zeggen.
Ik kijk op en zie een jonge vrouw die aan het uiteinde van de bank heeft plaatsgenomen, ze kijkt mij aan, ze heeft bruine ogen, donkere krullen sieren haar gezicht. Vroeger wilde ik zulke krullen, vol, stevig, waar ik mijn verlegenheid achter kon verbergen. Prachtig zijn ze.
Het is stoer meisje, het heeft niet alleen te maken met de blik in haar ogen die me direct aankijken maar ook met haar outfit, ze heeft een spijkerbroek en een zwart gewatteerd jack aan.
Ik knik naar haar.
‘Ik wil u iets vragen?’ zegt ze.
‘Dat mag,’ zeg ik.
‘Wilt u sigaretten voor mij kopen?’
‘Ben je nou helemaal gek geworden?’ is mijn eerste reactie.

De verontwaardiging klinkt door in mijn woorden.
Het gebeurd wel vaker dat ik er iets uitfloep, het heeft altijd te maken met een oprechte verbazing als er iets geks gebeurd en ik hierdoor word verrast. Dan zijn mijn woorden sneller dan de gedachten die ze tegenhouden.

De jonge vrouw zegt:
‘Maar ik heb het geld, ik kan het alleen niet zelf kopen.’
‘Wat denk je nou, dat ik mee ga werken aan jouw verslaving?’
‘Maar ik stop heus wel een keer.’
Er valt een stilte ik kijk haar aan, ze kijkt terug. Ik heb immers nog geen antwoord gegeven op haar vraag. Mijn hersenen kraken.

Ik moet denken aan mijn eigen verslaving aan sigaretten, ik rookte vanaf mijn twintigste en was vijftig toen ik stopte. Het afkicken was pittig, het verlangen naar dat stomme witte staafje, de rook die ik tot diep in mijn longen naar binnen zoog, de ontspanning die volgde, achtervolgde mij.
Net als deze jonge vrouw was ik verslaafd.

Ik kijk haar aan.
‘Als ik dertig ben stop ik,’ zegt ze.
Ik sta zonder iets te zeggen op en loop richting de winkel, ze loopt met me mee en stopt ondertussen tien euro in mijn hand.
‘Ik was vijftig toen ik stopte,’ zeg ik.
‘Vijftig, hoe oud bent u nu dan?’
‘Zeventig.’
‘Nee, zeventig, ik wist dat u ouder was maar zo oud,’
Ze heeft gelijk, zeventig klinkt oud, dat vind ik zelf ook.
‘Ach,’ zeg ik.
We staan voor de winkel.
‘Wat moet ik kopen?
‘Marlboro Gold,’ zegt ze.
Ik loop de winkel in en stap op de balie af om me daar aan te sluiten bij de rij scholieren en voel me weer twintig.

Leeftijd

Sinds ik zeventig ben en onder het kopje ‘bejaard’ val stoor ik me er aan. Bejaard klinkt versleten, alsof er geen leven meer in zit. Dit past niet bij mij. Ik ben een oudere, dat klinkt aangenamer en vriendelijker in het gehoor.

Ik ben vaker met mijn leeftijd bezig omdat ik de confrontatie ermee niet meer kan ontlopen.
‘Hoort dit er echt bij?’ zegt de stem in mijn hoofd.
Vorige week reisde ik met de trein en moest ik mijn ov-kaart opladen. Het is een handeling die me nooit moeite kostte maar die dag lukt het me niet. Telkens opnieuw stop ik mijn pas in weer een andere automaat, het ligt vast aan de automaat, maar elke keer krijg ik de melding: ‘haal uw betaalpas eruit’.
‘Verdomme, wees even duidelijk, wat doe ik fout?’, verwijt ik het dode ding.
Bij de derde automaat in de centrale hal steek ik mijn betaalpas er andersom in. Bingo.
Alles werkt wat trager en ik raak een zekere alertheid kwijt, alsof er een stofje ontbreekt die de aansluiting mist.

Het is voor mij een uitdaging te ontdekken dat ouder worden ook zijn voordelen heeft. Ik heb meer tijd achter me dan voor me liggen terwijl die tijd sneller lijkt te gaan maar ik zelf de snelheid kwijtraak.
Ouder worden dwingt me tot rust. Zen in het leven te staan, meer tijd te nemen voor de schoonheid van elk moment, me bevrijden van de last die ik (nog) met me meedraag. Ouder worden geeft me de tijd terug, geeft me mezelf terug.
Ik ga niet meer op elke uitnodiging in voor een bijeenkomst of ‘gezellig’ bij elkaar zijn. Ik zeg makkelijk ‘nee’ omdat ik niet alles meer mee hoef te maken en mijn leven al vol met mijn verhalen zit. Ik vind het niet meer erg om anders, als éénling gezien te worden, want dat ben ik.
Ouder worden is leuk.

Maar bij ouder worden hoort ook het lichamelijk verval. Aan het woord ‘verval’ kan ik moeilijk wennen, het klinkt zo definitief omdat het ‘achteruitgang’ betekend. Ik wil niet achteruitgaan maar vooruit, doorgroeien, niet afbreken. Maar misschien is de achteruitgang van het lichaam wel vooruitkomen in de geest. Het lichaam gaat achteruit maar geeft de ruimte aan de geest. Bingo.

Een mooi einde.
Mijn verhalen hebben tijd nodig om te rijpen, tot bloei te komen. Tijdens mijn wandelingen denk ik erover na en komen de ideeën mijn hoofd binnenlopen maar even zo snel ontglippen ze me weer.
Ik had een ander mooi einde voor dit verhaal maar ik ben het onderweg verloren en heb het niet meer teruggevonden.

Mondkapje

Het loopt tegen één uur. Ik heb boodschappen gedaan en sluit me aan in de rij wachtenden. In de rij naast me staan twee werkmannen, ze dragen een overall, de naam van het bedrijf staat op hun rug. Ze hebben allebei een halve liter melk, broodjes en beleg in hun handen. Voor hen staat een man, hij draagt een zwart mondkapje, de koortjes trekken zijn oren naar voren en kunnen elk moment losschieten, het komt waarschijnlijk door zijn enorme baard die halverwege zijn borst reikt. De man heeft geen haast om zijn boodschappen in te pakken, hij lijkt op iets te wachten.
‘Dat is dan 5 euro 60 meneer,’ hoor ik de kassière tegen hem zeggen.
Plotseling klinkt zijn zware stemgeluid door de winkel.
‘Waarom moet iedereen een mondkappie dragen en een mandje meenemen en hun niet?’
Hij wijst naar de werklui die achter hem staan.

Het was mij niet opgevallen dat de mannen hun mond en neus niet hadden bedekt. Ik wil het ook niet normaal gaan vinden om iemands lach niet te kunnen zien, of een expressie op een gezicht te moeten missen. Ogen kunnen mij niet alles vertellen. Ik mis de glimlach van een onbekende, als we op hetzelfde moment een zakje willen pakken en elkaar weer tegenkomen bij de appels. Of een vrouw die het balkje tussen onze boodschappen zet waartegen ik lach. Een dankjewel samen met een glimlach geeft toch net ietsje meer kleur aan het leven.
Het is niet meer aan een gezicht te zien wat een leuke toevalligheid is of dat een gebaar gewaardeerd wordt. De glimlach of uitdrukking gaat schuil achter een stukje stof.
Vier maanden mochten we zonder een mondkapje, dus ik snap wel dat mensen het vergeten, maar de man met de baard zit op een ander spoor en stoort zich aan het mondkapjesbeleid van de supermarkt.

‘Daar ga ik niet over,’ zegt de kassière.
De man wendt zich tot de kassière van de rij waar ik in sta.
‘We zijn allemaal verplicht om zo’n stom mondkappie te dragen waarom hun dan niet?’
‘Ik ga daar niet over,’ zegt ook deze kassière.
‘Wie dan wel?’
‘Het is 5 euro 60, meneer?’ zegt de kassière voor de tweede keer.
Hij maakt geen aanstalten om af te rekenen. Ondertussen zwelt de rij aan, de mannen zonder mondkapje zwijgen alsof zij hier niets mee te maken hebben.
‘Wij allemaal moeten dat offer brengen waarom hun dan niet.’
De man verheft zijn stem en zwaait met zijn armen.

De bedrijfsleider, een jongeman van midden twintig, keurig in pak, met mondkapje is gearriveerd en stelt zich vriendelijk voor aan de man.
‘Ik ben Jeroen Smitse, de bedrijfsleider, misschien kunt u eerst even afrekenen, zodat de rij kan doorstromen.’
‘Ben jij de bedrijfsleider?’ zegt de man, in zijn stem klinkt ongeloof door.
‘Ja, ik ben de bedrijfsleider en ik wil u graag het één en ander uitleggen, maar u moet eerst afrekenen u houdt de anderen klanten op, dat kan toch niet uw bedoeling zijn!’
De man rekent af en loopt mee met de bedrijfsleider, ik sta op gehoorsafstand mijn boodschappen in te pakken.
‘Ik snap uw verontwaardiging maar we laten het aan de klant zelf om een mondkapje te dragen. Wij mogen niet handhavend optreden,’ zegt de bedrijfsleider.
‘Mogen jullie dat niet?’ reageert de man, er klinkt verbazing door in zijn stem, die een toontje lager is gaan zingen.
Ik kijk naar de mannen en heb oogcontact met de bedrijfsleider. Het waren niet alleen zijn rustige stem en de aardige woorden die de man hadden gekalmeerd maar ook zijn ogen. Ze keken ook mij van boven het mondkapje vriendelijk aan.
De man met de baard voelde zich gezien en gehoord.
‘Die stomme mondkappies, ik heb er zo de balen van en dan zie ik dat hun…’
‘Ik snap u wel, meneer.’
‘Fijn, nou…bedankt,’ zegt de man en steekt zijn hand uit.
‘Een elleboogje dan maar?’ zegt de bedrijfsleider, die zijn elleboog naar voren brengt.

Schaamte

In mijn puberjaren hoefde er maar iemand naar me te kijken of te wijzen en het schaamrood tekende mijn gezicht. Nu ik ouder ben  overkomt het me niet zo vaak, dat ik geen woord uit kan brengen, de schaamte van mijn teentje tot mijn kruin voelbaar is en mijn gezicht van kleur verschiet. Maar onverwacht duikt dat oude gevoel weer de kop op omdat een kassière van de Lidl mij confronteerde met mijn asociale gedrag.

Ik heb over het algemeen geen moeite met wachten, kan geduldig op de lift wachten, als het wat langer duurt, of voor een stoplicht dat maar niet op groen springt, of de Schellingwouderbrug die net open gaat als ik aan kom fietsen. Ook in een lange rij bij de supermarkt pak ik mijn Zen-momentje. Behalve…

…ik kan geen centimeter geduld opbrengen voor mensen die in een traag tempo de boodschappen op de band leggen, daarna hun boodschappen langzaam in hun tas doen. Pas als de kassière het bedrag noemt, drie zakken doorzoeken naar de pinpas om er vervolgens achter te komen dat het saldo ontbreekt en er contant betaald moet worden. Als het wagentje dan ook nog vergeten is, is mijn irritatie tot grote hoogte gestegen.

Dit staat namelijk lijnrecht tegenover de manier waarop ik mijn boodschappen afreken. Mijn boodschappen leg ik op de band, goed aansluitend aan de boodschappen van de klant voor mij, het boodschappenbalkje voor en achter mag niet ontbreken. Als mijn boodschappen gescand zijn leg ik ze terug in het karretje om ze later in de tas te doen. Met mijn pinpas in de aanslag kan ik direct afrekenen. Ik ben de snelste en meest kassière- vriendelijke klant, althans dat denk ik. Tegen mij kunnen ze nooit zeggen dat ik geen rekening hou met anderen. Ik ben een braaf meisje. Behalve…

De man voor me in de rij doet precies het tegenovergestelde. Hij is niet alleen traag maar hij gaat ook in discussie met de kassière over de hoeveelheid rollen vuilniszakken die ze heeft aangeslagen. De man snauwde naar haar:
‘Wat moet ik nu met zoveel rollen?’
De kassière bleef vriendelijk.
Toen het pin-moment aanbrak lukte het niet dus moest hij contant betalen. Na het betalen liet hij het supermarktwagentje staan zodat ik er niet door kon.
‘Neem je wagentje mee,’ snauwde ik hem toe.
De man mompelde een verontschuldiging en rolde het karretje naar zich toe, ik was snel en ramde mijn kar tegen zijn achterbeen, waarop hij ‘au’ zei.
Ik was te ver gegaan.
De vrouw achter de kassa keek me verbaasd aan en zei:
‘Goedemiddag mevrouw, wat doet u nu boos, deze meneer heeft gewoon meer tijd nodig?’
De grond zakte onder mijn voeten weg en het bloed steeg onder mijn mondkapje tot grote hoogte, leve mijn bescherming, en ik mompelde iets van een sorry. Mijn schaamte vierde hoogtij.

Fietsend over de Amsterdamse brug richting Zeeburgereiland dacht ik na over wat me zojuist was overkomen. De vrouw achter de kassa had mij betrapt en daar stond ik met een rode kop me te schamen over mijn ongeduld en oordeel over de man, die het gewoon even anders deed dan ik. Door haar opmerking kwam mijn oordeel bloot te liggen en glipte mijn schaamte ertussendoor.
Leer mij mijn schaamte kennen.

Accordeon

Ik ga de nieuwe uitdaging aan, jaren lag het te wachten tot de tijd rijp was om opgepakt te worden en tot bloei te komen. Het heeft alles te maken met de sterfdag van Hans een vriend, alweer achttien jaar geleden. Rond deze tijd denk ik altijd aan hem en aan de muziek die we uitwisselden. Twee jaar voor zijn dood ging hij accordeon spelen en deelde met mij zijn enthousiasme over het instrument.

Het kost me geen moeite om iets waar ik redelijk goed in ben op te geven. Het past gewoonweg niet meer in mijn leven. Ik speel niet meer zoals ik speelde mede omdat ik niet meer samen met andere muzikanten speel. De tijd, dat ik laat in de nacht, wiebelend op mijn fiets, met de saxofoonkoffer op mijn rug richting huis fietste ligt achter me.
Soms heb ik het nodig iets op te geven waar ik aan gehecht ben om plaats te maken voor iets nieuws. Een onbekend terrein te betreden, een uitdaging aan te gaan. Ik ben er klaar voor om mijn hersenen te laten kraken, andere klanken, grepen en toetsen te onderzoeken.
Het afscheid valt me niet eens zwaar, ik leg mijn tenorsaxofoon terug in zijn koffer dek hem toe en sluit de deksel en zet hem bij zijn voorganger de altsaxofoon, mijn eerste liefde.

Ik ga opzoek naar een leraar en fiets een week later richting het Muiderpoortstation, onder het station ligt een muziekschooltje. Zijn naam is Gerard, het is een man van middelbare leeftijd. Ik betreed de oefenruimte, boven mij raast een trein voorbij, de ruimte lijkt te beven. Er staat een muziekstandaard met daarop bladmuziek, een stoel ervoor en een accordeon ernaast. Ik ga op de stoel zitten.
‘Waarom stap je over op de accordeon, het is niet zo’n gewild instrument?’ vraagt Gerard, zijn stem kraakt een beetje.
‘De accordeon heeft een vrolijk geluid en je kunt er alle muziekstijlen op spelen. Wat vind jij dan?’ vraag ik.
‘De meeste mensen vinden het een oubollig instrument.’
Ik reageer niet op zijn opmerking en zeg:
‘Ik wil het liefst uit mijn hoofd spelen, ik bedoel…’
‘…dat kan niet,’ onderbreekt hij mij.
‘…uit mijn hoofd en op mijn gehoor,’ maak ik mijn zin af.
‘Kun je geen noten lezen?’
‘Jawel, maar…’
‘Ik geef alleen les vanaf bladmuziek.’ Na een korte pauze zegt hij: ‘Zing even wat hier staat.’ hij wijst naar de muziek op de standaard.
‘Ik kan niet zingen van bladmuziek.’
‘Je hebt jaren saxofoon gespeeld?’
Er klinkt verbazing door in zijn stem en in zijn voorhoofd verschijnt een rimpel.
‘Dat is geen zingen,’ zeg ik.
‘Vreemd, hoe kreeg je dan les?’
‘Direct van bladmuziek, geen gezang vooraf,’ giechel ik mijn ongemak weg.
‘Maar je moet de muziek eerst kunnen zingen voordat je het kunt spelen.’
Mijn hart begint sneller te kloppen en ik voel hoe het bloed zich naar boven pompt.
De seconden tikken weg, dan zegt hij:
‘Nou dan moet ik iets anders verzinnen.’

Even later rust de accordeon op mijn schoot en zet ik de vingers op de toetsen en speel de C tot de G terwijl ik de balg in en uittrek. Ik vind het goed gaan, er komen in ieder geval iets van tonen uit het instrument.
‘Nee, zo moet het niet,’ hoor ik hem zeggen.
‘Je vingers moeten op de toetsen blijven rusten.’ Ik kijk naar mijn vingers, mijn pink zweeft boven de G en ook mijn andere vingers rusten niet op de toetsen.
Ik doe mijn best en speel verder.
‘Let op je vingers,’ zegt hij, hij verheft zijn stem.

Ik word teruggeworpen in de tijd en hoor mijn zwemleraar die naar me schreeuwt dat ik niet snel genoeg zwem. Ga door, doorgaan blèrde hij. Deze man heeft dezelfde toon in zijn stem, ik ben weer dat meisje van tien jaar. Mijn maag trekt in een kramp, de druk in mijn hoofd zwelt aan, ik knal zowat uit elkaar. Ik moet er nu iets van zeggen.

Ik laat de riempjes langzaam van mijn schouders glijden, zet de accordeon op de grond en kijk hem aan.
‘Het gaat niet lukken tussen ons,’ zeg ik.
Ik zie de verbazing op zijn gezicht.
‘Ik heb hele goede referenties,’ zegt hij.
‘Jammer maar die krijg je niet van mij,’ zeg ik, ik sta op en verlaat de ruimte.
Even later loop ik opgelucht over het plein naar mijn fiets, ik maak zelfs een vreugdesprongetje, ik ben zo blij dat ik op tijd ben gestopt en niet net als vroeger ben doorgaan om uiteindelijk toch weg te gaan.

Het is een maand later en ik speel al vier liedjes op mijn accordeon: ‘Caja’, ‘Cissie’, ‘Clair’ en de ‘Moeder van Jacob’. Ik heb mijn leraar op YouTube gevonden. Hij heet Gerard Gerritsen en wijst mij met zijn filmpjes stap voor stap de weg in de wereld van de accordeon. Mijn vingers leiden nog steeds een eigen leven als ik speel maar het maakt mij niet uit er is niemand die het ziet.
Natuurlijk kijkt Hans met me mee. Hij luistert zonder oordeel of commentaar. Hij is trots op me en enthousiast dat ik over ben gestapt op zijn geliefde instrument.
Ja lieve Hans, ik ook.

Verschillend

Tijdens de coronatijd maakte ik elke dag een wandeling, geen slechte gewoonte dus heb ik dit er ingehouden. De wandelingen zijn afwisselend en de tussenstop voor een kopje koffie is altijd genieten. Ik weet precies waar ze de lekkerste koffie verkeerd serveren.

Op een ochtend besluit ik naar winkelcentrum ‘Oostpoort’ te lopen, het is een mooie wandeling over de Amsterdamse brug, de luie trap afdalend, door het Flevopark een stukje stad dan ben ik er al. Op de hoek van de Pretoriusstraat  en de Linnaeusstraat,  tegenover het winkelcentrum, is een terras waar je heerlijk buiten kunt zitten, er staan houten banken met daarop schapenvachtjes en kacheltjes aan het plafond. Er heerst een huiselijke sfeer en ze hebben er heerlijke pistoletjes met groente kroket.

Ik loop aan de linkerkant de Amsterdamse brug op, in de verte komen twee mensen me tegemoet lopen. Als we elkaar naderen wijk ik uit naar rechts om ze door te laten. Dan duikt er plotseling een vrouw op, ze liep achter de mensen en wil net als ik passeren maar ik kan niet meer opzij, in de verte komt een fietser met hoge snelheid op me afgefietst. Ik blijf staan, de vrouw loopt tegen me aan en geeft me een duw, ik wankel. De fietser wijkt uit.
‘Nou zeg.’ hoor ik mezelf zeggen.
‘Kutwijf, je ziet me toch aankomen,’ snauwt de vrouw.
‘Jij, mij toch ook,’ snauw ik terug.
‘Jij hoort aan de andere kant van de brug te lopen,’ zegt de vrouw.
Ik loop door, ondertussen gieren de zenuwen door mijn lichaam.

Een herinner vult mijn gedachten. Het is langgeleden, mijn zoon Sanne zal tien geweest zijn. We waren op weg naar een vriendin en fietsten over de Admiralengracht  richting Bos en Lommer. Een auto passeerde en reed ons klem tegen de stoep. Sanne, reed voor me, hij vloog de stoep op en viel, ik raakte klem tussen de auto en de stoep. Ik gaf in een reflex  een klap op de auto, die direct stopte. Nog geen seconde later stond ik oog in oog met een bullebak die mij bij mijn jas greep terwijl hij me uitschold voor ‘tyfus-hoer’ en dreigde me in de gracht in te gooien.
Mensen stopten en bleven kijken.
‘De politie is gebeld,’ zei een man uit het publiek.
Als door een wesp gestoken liet de man me los, sprong in zijn auto en reed weg. Ik keek naar de persoon die deze toverformule had uitgesproken, hij zei:
‘Meestal werkt dit.’
Vijf minuten later stapte ik met knikkende knieën op de fietst en we hervatten onze tocht de Admiralengracht af, Sanne die altijd voorop reed bleef naast me rijden, mijn hand rustte op zijn rug.

Eenmaal op het schapenvachtje achter mijn pistoletje groente kroket met koffie verkeerd kan ik niet stil zitten, net als mijn gedachten die niet te stoppen zijn. De vrouw duwde mij en ging, net als de man die mij beetpakte over mijn grens. De bibber zit nog in mijn lichaam en mijn maag speelt op.

Diezelfde middag zit ik in de hal van het OLVG. Het is er druk, er is nog één stoel vrij naast de draaideur. Ik zink neer in de kussens van een luxe stoel, mijn armen leg ik op de leuning.  Ik heb nog even de tijd voor ik aan de beurt ben voor een bloedprik, gewoon een check of alles oké is. Ik heb nog steeds of alweer last van mijn keel en ben te vaak verkouden. Ik voel een hoestbui opkomen, eerst is het een ingetogen hoestje waarbij mijn schouders iets schudden, alsof ik daarmee mijn gehoest kan temperen. Maar deze hoest houdt niet zomaar op en al helemaal niet als ik mijn best doe om het in te houden. Het barst los, een lichte paniek maakt zich van me meester. Een vrouw komt van achter de balie naar me toegelopen en vraag of ik een glaasje water wil.
‘Ja graag. Wat ontzettend aardig van je,’ zeg ik.
‘Graag gedaan hoor meid,’ zegt ze vriendelijk. Even later glijdt het water door mijn keel en stopt het hoesten.
De vriendelijkheid van deze vrouw ontroerd me, ik zucht. Haar zorg krijgt meer betekenis door mijn ervaring met de vrouw op de Amsterdamse brug. Twee vrouwen, zo verschillend van elkaar, ze raken allebei iets in mij.

Het leven verrast me elke keer weer.

Een nieuw leven

Een nieuw leven (1)

Een nieuw boek presenteren is een feest.
Slingers horen erbij, taart en champagne. Er worden toespraakjes gehouden en er wordt een stuk uit het boek voorgelezen. Ik kom niet onder dit alles uit, want ik wil dat mijn boek gelezen wordt.

Maar ik sla dit liever over, verschuil me het liefst achter mijn pc om te schrijven en uren door te brengen met mijn personages die onder mijn getyp tot leven komen.  Ik heb het gevoel dat ik leef als ik met de woorden in gevecht ben. Soms staan de letters stil, vind ik het ritme niet, vlieg ik uit de maat. Maar ook stilstaan is vooruitkomen weet ik ondertussen.
Het heeft even rust nodig.
Als ik in elk woord geloof wat ik heb opgeschreven, mijn personages onder mijn pen een gezicht hebben gekregen, het verhaal verteld is, kan mijn boek het levenslicht aanschouwen.

Het boek Bevroren bloesem wordt op 19 september 2021 gepresenteerd. Het is een indringend boek maar ook een inspirerend verhaal over een krachtige vrouw.
Het mag gewoon gelezen worden.

Je kunt het boek kopen bij uitgeverij Blooming: onder het kopje: ‘Bevroren bloesem’. Hierbij de directe link naar het boek.

Bevroren bloesem – Hannah Roelofson

 

Een nieuw leven (2)

Ik had de afgelopen tijd de leukste, gekste, mooiste verhalen kunnen schrijven over mijn avonturen in coronatijd. Maar het lukte me niet. Af en toe kriebelde het, na een coronabelevenis,  maar ik kwam niet verder dan een paar regels die zich aftekende op het witte vlak van het word-document. Ik had kunnen schrijven over de lange wandelingen die ik elke dag maakte, water rechts, water links, water voor en achter me. Het was het Waterland wat ik veroverde met mijn dagelijkse 10.000 voetstappen, met de mantra in mijn hoofd: ik blijf gezond, ik blijf gezond. Gedachten zijn krachtiger dan we denken, uitgaand van het positieve in plaats van angst de ruimte te geven, het heeft voor mij altijd goed gewerkt, dus ook in deze tijd. Ik bleef gezond.

Ik wilde ook graag schrijven over het nieuwe leven wat deel van mij werd maar kon ook dit niet vangen in woorden, misschien omdat ik het nog een tijdje voor mezelf wilde houden. Maar met het uitkomen van mijn boek is het de tijd om het te delen met mijn lezers.

Op 18 augustus 2020 ben ik grootmoeder geworden.
Mijn kleinzoon heet:
Lou Oeke Polder.
Ik ben super blij met dit lieve, innemende, vrolijke ventje dat mijn leven verrijkt.
Mijn lieve Loutje.

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

Schuld

Achttien was ik toen ik wegging van huis naar een vreemd land ver weg van mijn dorp. ‘Het kan zo niet langer’ waren haar woorden. ‘Er moet iets gebeuren,’ zei hij.
Ongemakkelijk was het, een niet te dragen spanning die als een deken over ons heen lag en ons steeds verder naar beneden drukte, we stikten in elkaars nabijheid.
Ik kreeg de schuld van dit ongemak, ik hield me niet aan afspraken, negeerde mijn vader en reageerde niet op de beschuldigingen van mijn moeder. Ik was een ontregelende puber, wilde niet gevormd worden door mijn omgeving, wilde mezelf niet kwijtraken, vrij zijn.
Ik ging naar een plek waar ik beperkt werd in mijn vrijheid, straf kreeg als ik mezelf liet zien in al mijn spontaniteit, genegeerd werd als ik me niet aan de regels hield. Vreemde ogen dwongen mij te luisteren en in het gareel te lopen. Toen ik weer thuis was liep ik in de pas, gevormd en gekneed tot een dochter die mijn ouders wilde. Ik had schuld bekend.

Mijn jeugd ligt ver achter me, maar het thema ‘schuld’ kleeft nog aan me. Door de jaren heen is de lijm losgelaten, de scherpe hoekjes zijn er van af maar toch…het blijft een gevoelig onderwerp en dringt met tussenpozen mijn leven binnen.
Mijn directheid en spontaan reageren (ik ben het niet kwijtgeraakt) kan confronterend en ontregelend werken voor anderen en de kans bestaat dat mensen zich ongemakkelijk voelen, boos worden en mij de schuld geven. Het kunnen harde beschuldigingen zijn die me raken en uit balans brengen, maar gelukkig niet voor lang.
Ik hoef niet meer door iedereen aardig gevonden worden.

Soms zijn de beschuldigingen zachter, als de windvlaag, die een piepklein-pakketje bij me aflevert. Ik maak het open omdat ik weet dat dit pakje niet die hardheid in zich meedraagt en mij niet persoonlijk raakt. Achteraf moet ik er om grinniken omdat het duidelijk is dat het niets met mij te maken heeft maar met de frustratie van de ander.
Zoals die ochtend in het Flevopark.

Het was druk in het park met mensen die hun hond uitlieten. Ik liep richting de uitgang met Rolf, de hond van een vriendin. Een vrouw kwam me tegemoet joggen, ze was al een paar keer angstvallig uitgeweken voor honden, ook toen ze Rolf zag. Ik had met haar te doen en mijn opmerking was oprecht en met goede raad aan haar:
‘Als je zo bang bent voor honden kun je rond deze tijd beter niet in het park komen.’
‘Honden mogen hier niet los,’ zei ze en rende er als en haas vandoor.
Op hetzelfde moment passeerde een oudere man mij, zijn hoed hing aan een touwtje losjes op zijn rug. Hij draaide zich om en zei:
‘Mevrouw, die opspringende honden zijn vervelend.’
‘Hij sprong niet,’ verdedigde ik mezelf.
Hij ging door.
‘Mevrouw, hij had kunnen springen, honden mogen hier niet los.’
‘In dit gedeelte van het park mogen ze wel los.’
Daar had hij niet van terug, dus gooide hij het over een ander boeg.
‘Mevrouw, ik ken jouw type,’ zei hij.
‘O, ja, vertel?’ vroeg ik, ik was oprecht nieuwsgierig naar zijn antwoord.
‘Mevrouw, het is ikke, ikke, alleen maar ikke.’
‘Waar baseer je dat op?’
‘Mevrouw, u houdt geen rekening met anderen. Je zou maar getrouwd zijn met een vrouw als u.’
Terwijl hij dit zei schudde hij met zijn hoofd, zijn hoed wiebelde mee op zijn rug.
‘Waarom blijf je mij mevrouw noemen en me aanspreken met u, terwijl je zulke lelijke dingen over me zegt? Je kent me niet eens,’ zei ik.
Hij liep door, de hoed op zijn rug zwiepte nu hard heen en weer, het was vast zijn woede die er via zijn rug uitkwam. Deze man was boos niet alleen op mij maar op de hele wereld.
Ik keek hem na tot hij om de hoek was verdwenen en gooide nog een keer de stok in het water, Rolf sprong er achteraan. Ik dacht na over zijn laatste woorden. `Je zou maar getrouwd zijn met een vrouw als u.’ zei hij.
Daar moest ik hem wel gelijk in geven.

1 2 3 10