Verhalen

Toerist

Bij de van Eehgenstraat kom ik het Vondelpark binnen en fiets richting het Kattenlaantje. Het is minder zonnig en warm […]

Overlast

In mijn vorige woning hoorde ik mijn buurman uitgebreid gapen in de ochtenduren, telefoneren en lopen als hij zijn schoenen […]

Sisi

Voor het appartement dat ik huur op Kreta ligt verspreid over de buitenruimte een tapijt van kunstgras, de regenbuien hebben […]

Lidl

‘Wat zullen we vanavond eten,’ roept een mannenstem door supermarkt Lidl aan de Soerabajastraat. Ik sta bij de groenteafdeling de […]

Zwanen

Het is een leuke fietstocht vanaf het Zeeburgereiland naar het Waterlandplein in Amsterdam-Noord. De Wijkergouw is een landelijk weggetje, met een bol bruggetje over een slootje waar eenden, en sinds kort een zwanenechtpaar met hun vijf babyzwanen zwemmen. De rij huizen die er staan hebben een mooi uitzicht op een weiland met schapen en lammetje die dartelen in het weiland en bij hun moeder drinken, met hun snuitje stoten ze tegen de uiers.

Met beladen fietstassen fiets ik terug naar huis, vanaf de drukke weg het rustige pad op. Ik moet afremmen voor een boerderijwoning, midden op het pad zit een zwanenechtpaar zich uitgebreid te wassen.
Als ik naderbij kom zie ik de babyzwanen, met hun lichtbruine nestveertjes aan de kant in het zand liggen. Een van de zwanen ontlast zich en spuit poep op het asfalt om vervolgens weer door te gaan met de wasbeurt, zijn snavel duwt hij onder zijn veren. Ze nemen er de tijd voor.

Ik kan twee dingen doen of wachten, of omrijden, ik besluit te wachten, het schouwspel is een aangename afleiding voor de minuten die doortikken. Aan de andere kant staat een jonge vrouw, zij heeft duidelijk haast, ik zie het aan de bewegelijkheid in haar houding. Bij elke stap die ze naar voren maakt laat ze zich afschikken door een enkele beweging van de zwanen.
Ze weet vast ook dat zwanen agressief kunnen reageren als ze jongen hebben. Armen of benen kunnen breken met de kracht van hun vleugels.
Dus ook zij moet wachten op het moment dat het ochtendritueel is beëindigd en echtpaar zwaan besluit te verkassen.
Ik roep naar de vrouw:
‘Durf jij er ook niet langs?’

Natuurlijk weet ik het antwoord maar ik wil even contact. We bevinden ons allebei in dezelfde situatie en het liefst zouden we willen ruilen van plek. Als je gedwongen wordt samen de tijd door te brengen, wachtend op de tram of trein die uitblijft, maak je sneller een praatje, vaak gaat het samen met geklaag over het openbaar vervoer.
Dit is een ander soort wachten we kunnen niemand de schuld geven, het probleem kan niet worden opgelost door mensenhanden of je moet ze wreed wegjagen, maar wie doet dit nou.

Er komt een jongen naast me staan.
‘O,’ is alles wat hij zegt.
‘Ja, ze nemen het ervan,’ zeg ik.
‘Dat doen ze nooit!’ er klinkt een lichte verontwaardiging door in zijn woorden.
Hij kijkt me aan.
‘Ik slis een beetje, ik heb net een beugel gekregen.’
‘Ik hoor niets,’
‘O, dat is mooi,’ zegt hij.
‘Woon je hier?’
‘Ja, daar.’
Hij wijst naar het huis een paar meter verderop.
‘Ik rij wel om,’ zegt hij en fietst weg.

De zwanen zijn klaar met hun wasbeurt maar maken geen aanstalten om te vertrekken en zinken neer op het asfalt. Een man komt met grote snelheid aanfietsen en fiets langs de zwanen, een zwaan stijgt op, wappert met zijn vleugel, begint te blazen en hap naar zijn voet die hij op een haartje na mist. Direct daarop volgend komen er twee mannen aangereden in een scootmobiel, ze doen wat spottend over ons wachten en ook zij rijden met een rotvaart langs de zwanen.
‘Stelletje lomperiken,’ denk ik.

‘Je kunt voorzichtig door het gras lopen, met je fiets ertussenin,’ roep ik naar de vrouw. Ze probeert het maar laat zich opnieuw afschikken als de zwaan gaat staan. Na een tijdje besluit ik toch de omweg te nemen.
‘Dag, succes,’ ik zwaai naar de vrouw.
Ze steekt haar hand op.

Voordat ik afsla kijk ik om en zie dat de vrouw langs de zwanen is gelopen. Dat ze alleen achterbleef moet haar net dat zetje hebben gegeven.
‘Bedankt hoor, ik moet ervandoor, ben al veel te laat,’ zegt ze terwijl ze haastig langs me fietst.
Ik kijk nog één keer achterom en tot mijn verbazing zie ik dat het pad leeg is. Ik fiets terug, het zwanenechtpaar laat zich op hun gemakje de sloot inglijden, hun kroost volgt, het is tijd voor zwemles.

Rustig de tijd nemen voor het ochtendritueel, zoals zwanen doen, past bij mij. Maar je door niets of niemand laten (ver)storen, daar kan ik nog wel iets van leren.
Ik fiets op mijn gemakje richting huis.

Toerist

Bij de van Eehgenstraat kom ik het Vondelpark binnen en fiets richting het Kattenlaantje. Het is minder zonnig en warm dan de afgelopen dagen en het park is teruggegeven aan zijn dagelijkse bezoekers. Mensen die hun hond uitlaten, hardlopers, snelwandelaars, fietsers die het park doorkruizen op weg naar hun werk, ze zijn weer zichtbaar. De fietsende toeristen blijven in het park komen, door weer en wind met wapperende regencape bestormen ze het park op hun huurfietsen.
Ik rij langs de vijver, de fontein staat aan en spuit met kracht het water omhoog en daalt neer op het wateroppervlak. Ik hou van het geluid van het vallende water.

Een vrouw komt me tegemoet, ze beweegt zich half lopend, rennend mijn kant op maar haar poging snel vooruit te komen mislukt door de hoge hakken die ze draagt. Ze houdt haar hand omhoog, ik stop en haal mijn oordopjes uit mijn oren, de muziek speelt op de achtergrond verder.
`Damrak, is dat die kant op?` vraagt ze.
Ze wijst naar de uitgang van de P.C. Hoofdstraat.
`Nee, je kunt tram één pakken op de Overtoom.’ ik wijs richting het Kattenlaantje.
`Dan hebben ze me verkeerd gestuurd.`
Ze begint zenuwachtig met haar mond te trekken.
`Denk je dat ik het zal halen?`
`De tram gaat elke tien minuten.`
`Zal ik op tijd zijn?`
`Hoe laat moet je waar zijn?`
`Om elf uur moet ik de trein halen op Sloterdijk.`
`Dan kun je het beste de bus of metro nemen.`
`Maar ik moet eerst naar het Damrak.`
Ik kijk haar niet begrijpend aan.
`Ik moet mijn koffer in het hotel ophalen en dan naar de trein.`
`Hoe laat is het nu?` vraag ik.
Ze kijkt op haar horloge.
`Negen uur.`
`Heb je de koffers al gepakt?`
`Ja.`
Als vanzelf heb ik de moederrol op me genomen, hij past me nog prima.
`Ik loop wel even met je mee dan wijs ik je de tram. Vanaf het Damrak neem je de tram naar CS daar kun je de trein naar Sloterdijk pakken, dat moet lukken.`
`Weet je het zeker?`
`Niets is zeker.` zeg ik.
Ondertussen lopen we richting het Kattenlaantje.
Met snelle stapjes probeert ze me bij te houden, haar hakken brengen haar uit evenwicht.
`Waar ga je naar toe?`
`Naar Parijs.`
We komen aan bij het Kattenlaantje waar we bijna omver worden gereden door een fietser. Ze weet zich staande te houden door mijn arm te pakken.
`Leuk hé, Amsterdam?`
`Ja`, zegt ze volmondig.
Aangekomen bij de Overtoom wijs ik haar de halte van de tram.
Ze kijkt me aan, haar lip trilt een beetje.
`Je gaat het vast halen,` stel ik haar gerust. Even denk ik erover om haar verder te begeleiden, ze lijkt zo hulpeloos, maar ik heb een afspraak met een vriendin. Maar toch…
‘Gaat het lukken?’ vraag ik.
`Dankjewel.`

Ik laat haar achter bij de halte en zie in de verte de tram aankomen rijden, een man rent langs haar, dan pas begint ze ook te rennen. Het licht spring op groen en ik steek over. Als ik weer omkijk is de tram weg en de halte leeg. Ik zucht.
`Gelukkig ze heeft het gehaald`, hoor ik mezelf zeggen.

Ik koop een bos bloemen bij de stal op de Overtoom en loop terug naar het zebrapad om over te steken.
Er gaat een schok door me heen, de vrouw, ze staat aan de overkant naast een oudere man, hij houdt het portiek van een BMW voor haar open, zijn hand rust op haar rug. Niet veel later voegt de auto zich in het verkeer en verdwijnt uit het zicht. Het licht springt op groen en ik steek over met mijn gedachten nog bij de vrouw en kan alleen maar hopen dat ze Parijs zal halen.
Ik zal het nooit weten.

Overlast

In mijn vorige woning hoorde ik mijn buurman uitgebreid gapen in de ochtenduren, telefoneren en lopen als hij zijn schoenen aanhad. Regelmatig kwam er een echtpaar op bezoek. Altijd op het moment van een vredig thuis zijn, werd ik wakker geschud door hielen en hakken op het laminaat. Gebrom drong mijn kamer binnen met uithalen van luid gepraat en een hard gelach. Het leek alsof hun bezoek bij mij op de bank was neergestreken. Ik kon niet voorkomen dat de geluiden mijn humeur beïnvloedden en mijn tijd bepaalden, wachtend op het moment dat ze zouden vetrekken. Met deze leefgeluiden moest ik zien te leven, we woonden in slecht geïsoleerde woningen.

Maar iets anders viel wel op te lossen. Al een tijd ergerde ik me aan het kletteren van de metalen vuilnisbak op het balkon, vooral rond etenstijd was het spitsuur. Toen ik op een dag in alle vroegte gewekt werd door dit irritante geluid, werd het tijd iets te ondernemen.
Ik sprak mijn buurman erop aan.
’Wat dacht je van een geluidsvriendelijke vuilnisbak,’ grapte ik nadat ik vertelde van het geluid van de vuilnisbak in de vroege ochtend.
Hij keek me een beetje verdwaasd aan.
‘Ik wil hem wel kopen,’ ging ik verder.
‘Dat is niet nodig,’ zei hij.
Het was een week stil, daarna leek het alsof ons gesprek nooit had plaats gevonden.

Het frustrerende was dat het geluid van de vuilnisbak niet meer op zichzelf stond, maar samenviel met een gevoel van machteloosheid, een monster wat onder mijn huid kroop en vreemde dingen deed met mijn geest. Het was een ondraaglijk idee dat mijn buren niet bereid waren iets aan het probleem van de overlast te doen, terwijl de oplossing zo voor de hand lag. Elk keer als ik wakker schok, schoot ik in een kramp en wenste ik dat ik mijn mond had gehouden.

Waarom vertel ik dit verhaal? Mijn ervaring van toen is ver weggezakt maar het komt weer bovendrijven als een vriendin verteld dat ze last heeft van haar buren. Ze wordt regelmatig wakker van hard gebonk boven haar hoofd. Ook zij dacht dat de problemen waren opgelost na gesprekken, maar niets is minder waar, na een tijd begon het gebonk weer en bleef aanhouden.

Ik ben verhuisd, omdat ik naar een goed geïsoleerde woning wilde, in een rustige buurt. Het is me gelukt omdat er iemand boven me woont die haar woongenot even belangrijk vind als mijn woongenot. Op deze manier kun je vredelievend naast elkaar leven. Maar wat een pech, wat een verdomde pech, als je buren treft die ‘dit’ niet in zich hebben.

Sisi

Voor het appartement dat ik huur op Kreta ligt verspreid over de buitenruimte een tapijt van kunstgras, de regenbuien hebben het groen doen verbleken. Het tapijt loopt langs een muurtje en is rond een boom gedrapeerd, zijn wortels duwen de bedekking omhoog. In de tuin aan de andere kant van het muurtje woekert het onkruid er tierig op los, zijn de struiken uitgegroeid tot bossen en staan de potten met planten verspreid over de tuin en terras.

Rond negen uur in de ochtend komt de zon om de hoek kijken en zink ik neer in één van de plastic stoelen en lees. Voor tien uur is het stil, hoor ik enkel het getjilp van de vogels en heb ik de bergen,  gehuld in mist,  als uitzicht. Rond tien uur trekt de mist op en wordt Sisi wakker. De stilte wordt verbroken door, hameren, boren en het gehuil van een schuurmachine. Boven op een gebouw in wording, staan mannen en klinkt het drillen van een boor. De Griekse muziek schalt uit een transistor en is alleen te horen als de andere apparaten zwijgen.
Sisi maakt zich op voor het zomerseizoen.

Ik wen aan de geluiden en kijk op als er een ander geluid doorheen breekt. Het lijkt alsof ik midden in een Western terecht ben gekomen waar paarden over de prairie draven. Binnen enkele seconde komen schapen en geiten de tuin van de buren binnenrennen, geen plekje blijft onbezet. Ze doen zich te goed aan al het lekkers, sommige geiten pikken een terrasje mee en knabbelen aan de planten in de potten die voor het huis staan.

Rond het middaguur loop ik naar het bakkertje op de hoek en drink daar een koffie latte en luister naar radio één. Daarna wandel ik langs de zee, die met geweld tegen de rotsen slaat, ik ben de enige bezoeker. Als ik op de terugweg door de lege straten loop, stil en mysterieus, moet ik opnieuw denken aan een Western. Soms bezoek ik een restaurant en eet ik een Griekse salade. Het restaurant is enkel bezet door mannen met snorren die samen rond de tafel het spel Backgammon spelen en raki drinken.

Het appartement en ik kunnen het niet vinden met elkaar. De ruimte voelt beklemmend. Ik ben een ongenode gast, een ongewenste bezoeker. Het is een gevoel waar ik me niet overheen kan zetten.
Elke dag word ik geconfronteerd met het onvermogen tot schrijven. Starend naar de eerste voorzichtige woorden die op het beeldscherm verschijnen, wachtend op iets van betekenis. Ik ben hoopvol opzoek naar de stem in mijn hoofd die mij de woorden influistert. Die prachtige zin die naar boven komt borrelen of dat ene woord wat perfect tussen de andere past.
Het is er niet.

Het raakt een ‘gemis’ in mij, dus komt al het andere ‘gemis’ naar boven. Ik mis mijn vriendinnen, mijn katten, te kunnen zeggen in ‘mijn taal’ dat het even niet gaat. Ik mis…mijn huis, die me als gegoten zit, waar ik mee kan lezen en schrijven.
Het alleen-zijn kruipt onder mijn huid, het jeukt.
Help…ik wil naar huis.

Op negentien februari is het ‘schone maandag’, een Grieks Orthodox Christelijk feest. Ik krijg een uitnodiging van een Nederlandse vrouw om dit samen met haar en haar vriendinnen te vieren. Zij woont een dorp verderop en is mijn contactpersoon, mocht er iets zijn met het appartement. Bij de haven zijn lange tafels opgesteld waaraan mensen zitten te eten en drinken, muziek schalt uit de boxen. Ik eet de heerlijkste Griekse gerechten, drink wijn en praat mijn eigen taal. Bruisend van energie loop ik terug naar het appartement.

Zodra ik terug ben begin ik met opruimen, er liggen ‘te veel’ ongebruikte spullen in een ‘te kleine’ ruimte. Ik zet alle spullen die ik niet gebruik in of op kasten, zet lampen, stoelen, keukengerei op een plek die voor mij goed voelt. De ruimte die eerst zo zwaar op me drukte lijkt lucht te krijgen.
Ik open mijn laptop en schrijf tot het buiten donker wordt en ik de lamp aansteek die op precies de goede plek staat.

Verwondering

Binnenkort komt mijn tweede boek uit met de naam: Gustaafs erfenis.
Daar hoort een verhaal bij.
Het is een tijd geleden dat ik mijn belevenissen op mijn blog zette. De inspiratie ontbrak. Hoe langer de pauze werd tussen het laatste verhaal en een nieuw verhaal, hoe moeilijker het werd, de inkt droogde op, mijn vingers schoten in een kramp en ik had geen oog en oor voor de verhalen die zich aandienden.

Als ik aan een nieuw boek begin kom ik ook zo mijn rariteiten tegen. Starend naar het onbeschreven witte vlak, dat er om schreeuwt om beschreven te worden, is daar dat stemmetje. Bij elk woord, elke zin staat die innerlijke stem klaar om commentaar te leveren.

Bij herschrijven van de tekst heb ik daar geen last van.
Dit is het proces waar ik het meest van geniet, ik kleur de tekst in met een pracht aan kleuren, ik kan spontaan in mijn handen klappen, om een woord, een zin die uit mijn hoofd omhoog is komen borrelen.
In deze fase giet ik de beelden in woorden, kleed de personages aan, ik laat ze iets anders zeggen, een andere weg inslaan of laat ze in het niets verdwijnen.
Het is als het componeren van een muziekstuk. In plaats van een G toch maar een Gis op die plek want dat klinkt net iets beter.

Laatst vroeg iemand aan me.
‘Waar ben jij dankbaar voor?’
Ik twijfelde geen moment.
‘Dat ik me kan blijven verwonderen.’
‘Waarover dan?’
‘Over mijn leven en het leven van anderen.’

Door deze verwondering ben ik gaan schrijven.
Uit een eindeloze nieuwsgierigheid naar het leven van een ander en van mezelf.

Ik heb een leven lang aan verhalen.
Gustaafs erfenis is één van die verhalen en is na de boekpresentatie te verkrijgen op mijn blog.

Lidl

‘Wat zullen we vanavond eten,’ roept een mannenstem door supermarkt Lidl aan de Soerabajastraat. Ik sta bij de groenteafdeling de bloemkool te bekijken en kijk op. Iets verder staat een man van midden in de veertig, in een korte, khaki broek, poloshirt en witte sportsokken in sandalen. In zijn handen een samengesteld pakket. Bij de Lidl zijn verschillende pakketten te koop: tomaten-en groentesoep, curry madras en kruidige couscous. Mijn favoriete is curry madras, maar ik koop het niet vaak omdat er veel toegevoegde suiker in de curry en kokosmelk zit.

Zijn voorkeur gaat ook uit naar de curry madras, hij bekijkt het van alle kanten.
‘Niet zo’n pakket, daar zit te veel troep in,’ zegt de vrouw die naast hem is komen staan, ze is gekleed in een wijde jurk die tot de enkels reikt, daaronder is duidelijk een bollig buikje te zien. Haar voeten, onbedekt, zijn gestoken in dezelfde sandalen. Ook haar stem is niet bescheiden te noemen.
‘Er zit veel groente in, bloemkool, paprika, een tomaat en een citroen,’ zegt de man.
‘Lijkt mij wel oké!’ zegt hij er nog een toontje harder achter aan als ze niet direct reageert.
‘Het gaat om het zakjes curry wat er bij zit en de kokosmelk, die zitten vol suikers.’
Ze heeft er verstand van.
‘Ach dat kan toch wel een keer, misschien eet Lisa dan ook normaal mee.’
‘Lisa eet niet en al helemaal geen producten met suiker, Henk,’ zijn naam spreekt ze langgerekt uit met een vleugje irritatie.
Hij staat nog steeds met het pakket in zijn hand.
‘We kunnen het toch proberen,’ zegt hij zijn stemgeluid is iets gedaald.
‘Je denkt nog steeds dat ze zomaar gaat eten, hé?’ zegt de vrouw, terwijl in een rap tempo van allerlei groente in het supermarktwagentje legt.
‘Je snapt er ook niets van, er is wel wat anders aan de hand met haar,’ gaat ze verder als hij niet reageert.
Hij kijkt in het karretje.
‘Die bloemkool, paprika en tomaten hoeven we niet,’ zegt hij en haalt ze uit het supermarktwagentje terwijl hij het pakket erin legt.
‘Ga je nu toch zo’n pakket nemen?’ ze kijkt hem woedend aan.
‘Doe niet zo moeilijk, gewoon om te proberen.’
Ze lijkt zich plotseling bewust van ogen die op haar gericht zijn, kijkt om zich heen, even ontmoeten onze blik elkaar.
Oké, het is al goed,’ zegt ze nu zachter en loopt richting de broodafdeling.
‘Neem wat van die kleine flesjes water mee,’ roept hij haar na. Ze draait zich om:
‘Is dit niet heel slecht voor het milieu?’
Hij reageert niet.

Ik ben klaar met boodschappen doen en beweeg me richting de kassa. Even heb ik nog staan twijfelen, met een pakket curry madras in mijn handen en besloten het niet te kopen. Ook het echtpaar is klaar en ze sluiten zich aan in de rij naast me.

Ik denk na over hun gesprek. Gek is het wel dat ik in zo’n korte tijd dingen van deze mensen en hun dochter weet die ze waarschijnlijk nooit zomaar zullen vertellen aan familie of vrienden, laat staan aan vreemde mensen die hun dagelijkse boodschappen doen. En toch ben ik en de andere supermarktgebruikers op de hoogte gebracht van de perikelen rond hun dochter, Lisa.
Ik denk nu, dat hun een dochter Lisa anorexia nervosa heeft en dat haar vader denkt dat dit op te lossen is met een pakket curry madras van de Lidl. Maar het is mijn waarneming en of dit de werkelijkheid is, zal ik nooit weten.

De man haalt uit het schap bij de kassa, een zak gemengde noten en legt het op de band.
‘Noten, daar houd je toch niet van?’ zegt de vrouw.
‘Lisa was er vroeger gek op,’ zegt hij.
‘Vroeger is niet nu, Henk,’ zucht de vrouw.
‘Je hebt gelijk, Trees.’
Met een breed gebaar legt hij het zakje noten terug

Als ik ze niet veel later de winkel uitlopen, hij het supermarktwagentje voor zich uitduwend, legt ze haar arm rond zijn middel en zie ik hoe ze even haar hoofd tegen zijn bovenarm vlijt.
Het is zomaar een gebaar, maar toch.

De jas

Ineens is hij er. De jas. Opgehangen over de afvalbak aan het Buiten-IJ voor de Akropolistoren. Ik heb niet gezien wie hem daar heeft neergehangen, het moet gebeurd zijn in de nacht van woensdag op donderdag. Hij is er vast opgehangen om gezien te worden, opzoek naar de oude of een nieuwe eigenaar.

De jas trok mijn aandacht, toen een man op een bakfiets stopte, zijn fiets op de standaard zette en de jas met één vinger van de afvalbak plukte. Een hond, een bruine labrador, stond al kwispelend in een bak voorop. De man hield de jas omhoog en draaide hem rond. Zijn houding straalde iets kritisch uit, hij bekeek en besnuffelde de jas om hem vervolgens met zorg weer terug te hangen. Hij fietste weg, de jas achterlatend. De hond blafte, één blaf.

Vijf minuten later trekt de jas opnieuw de aandacht. Dit keer is het een jongeman, strak in het pak met stropdas. Hij heeft een fiets met een gifgroene bak voorop. Hij fietst de jas voorbij, draait om, werpt één blik op de jas en rijdt weer weg.
Direct daarna komt een vrouw aanlopen met een Labradoodle. Ook haar ontgaat de jas niet en hij wordt opnieuw van zijn vertrouwde plek gehaald en bekeken. Zij doet er langer over om de jas te keuren, keert hem binnenstebuiten, voelt aan de stof en ook zij besnuffelt hem. Plotseling onderbreekt ze haar handelingen en gooit hem met een zwaai op de bank. Au.

Het is vrijdagmiddag. De jas heeft zich ondertussen verplaatst van de bank naar de stenen blokken die het fietspad afsluiten voor auto’s. Ik heb niet gezien hoe hij daar is gekomen maar hij zal ongetwijfeld door verschillende handen zijn gegaan. Ik ben ook nieuwsgierig geworden en neem een omweg en fiets langs de jas. Daar ligt hij, eindelijk zie ik hem van dichtbij, ik had vanuit mijn raam niet goed de kleur of het model kunnen zien, laat staan het merk. Het is een donkerbruine jas met een capuchon van het merk Spirit. Ik pak hem op en zie dat er een scheur in de schouders zit alsof er met geweld aan de jas is getrokken en daarna weg is gegooid samen met de herinnering aan het handgemeen. Ik hang de jas terug over de afvalbak.

Het is zaterdag aan het einde van de middag. Het is prachtig weer en een groep mensen uit de buurt hebben zich verschanst rond de picknicktafels. Even verderop staan twee rokende barbecues. Ik zoek de jas, hij hangt niet over de afvalbak, ligt ook niet op het stenen plateau of de bank. Ik speur de omgeving af en zie hoe een hoopje bruin zich aftekent tegen het groene gras. De volgende dag is de jas weer zoek en levert mijn speurwerk niets meer op.

Het is maandag, de dag dat de gemeenteauto langskomt om de vuilnisbakken te legen. Een man in een fluorescerende jas komt uit de auto en koppelt de afvalbak los met een sleutel en gooit de inhoud in de laadbak. Plotseling is hij er weer. De jas. Ik zie hoe de man de jas uit de bak vist en hem aantrekt .
De jas en de man passen bij elkaar.
Zijn collega stapt uit de auto en kijkt met een kritische blik naar de man die hem de jas showt door een rondje te draaien. Even lijkt het mis te gaan als hij naar de scheur wijst. De man haalt zijn schouders op en houdt de jas aan als hij terug in de auto stapt. De jas heeft eindelijk zijn eigenaar gevonden.
Maar als de auto aan het einde van het pad draait en opnieuw stopt voor de afvalbak, wordt deze gedachte onderuitgehaald.De collega van de man stapt uit met de jas over zijn arm en hangt hem over de afvalbak, terug op zijn vertrouwde plek.
Vijf dagen een jas volgen, het is genoeg geweest.
Ik stop ermee.

Het is een week later als ik in alle vroegte het perron oploop om tram zesentwintig te nemen naar het Centraal station. Het is zeker tien graden kouder. Ik zie hem van een afstand over de afvalbak op het perron hangen. Als ik even later in de tram zit en uit het raam kijk zie ik nog net op tijd, hoe een man, zonder jas, de bruine jas met capuchon van het merk Spirit aantrekt en wegloopt.
Ben ik op het laatste moment toch getuige geweest van een hereniging van de jas met zijn nieuwe eigenaar.

Zwemmen

Ik bots tegen een muur van geluid aan als ik de trap oploop naar de omkleedhokjes van het zwembad in Amsterdam-Oost. De geluiden in een zwembad klinken altijd hol en hard maar dit overtreft alles. Bovengekomen kan ik het hele zwembad overzien. In het ondiepe bad krioelen vrouwen door en over elkaar heen, een menselijke mierenhoop. Het grote bad is in banen verdeeld, waar vrouwen de schoolslag zwemmen. In de buitenste baan zwemmen ze borstcrawl, armen maaien door het water. Het is de snelste baan.
Verspreidt over de andere banen hangen vrouwen in de touwen met rode ballen.
Het ‘ vrouwenuurtje’ in het Oosterparkbad is ook een ontmoetingsplek voor moslimvrouwen.

Ik loop wat onwennig in mijn nieuwe badpak de trap af naar het zwembad. Het is lang geleden dat ik schaars gekleed onder de mensen was. Het voelt alsof ik naakt ben en alle ogen op mij gericht zijn. Als ik opkijk, is er niemand die op me let, het is weer zo’n gedachte die me uit balans brengt en niet op waarheid berust.

Op het moment dat het water zich om me heen sluit voelt het als een weerzien na een jarenlange scheiding. Als ik mijn armen spreidt en het water naar achteren duw en invoeg in de rij zwemmende vrouwen voel ik me als een kind zo blij. Ik ben het nog niet verleerd, de slag van het zwemmen, het is net als fietsen, eenmaal aangeleerd vergeet je het niet meer.

In mijn jeugd zat ik een korte periode op wedstrijd zwemmen maar ik was niet opgewassen tegen de autoritaire houding van de trainer. Het zijn herinneringen die ik nooit ben vergeten. De beelden kan ik zo terughalen. Zijn immense gestalte die staande op de rand van het zwembad boven mij uit toornde. Zijn gebrul, zijn woede en rood aanlopende hoofd als je niet snel genoeg zwom. Een tweede plaats was niet genoeg, je moest gaan voor de eerste.
Lange tijd was ik het plezier in het zwemmen kwijt.

Ik zwem. De schoolslag, die heerlijke beweging, dat glijden door het water, met mijn armen uitspreidend door het water, waardoor het uit één wijkt.
Ben ik nou zo snel, heb ik de kracht, van lang geleden, nog in mijn armen en benen zitten? Ik moet mijn tempo aanpassen. Het is net als fietsen door de stad tijdens de spits, met die ene fietser die het niet bij kan houden. Het verschil is dat ik dan kan passeren en nu niet, hier liggen tegenliggers op de loer. Ik kijk met enige jaloezie naar de borstcrawlbaan.

De maandag daarop ga ik gemengd zwemmen, oud en jonge mannen en vrouwen zwemmen rustig hun baantje zonder onderbreking. Er wordt weinig gepraat. Nergens zijn opstoppingen, versperringen, files. Nu ben ik degene die langzaam zwemt en ik dacht nog wel…
`Sorry,` zeg ik tegen twee jonge meiden die me passeren, met boven op hun hoofd een toren van haren.
`Geef niet hoor, we hebben allemaal ons eigen tempo,` zegt één van de vrouwen en ze zwemmen in snelle schoolslag aan me voorbij. Als ze voor me zwemmen, doe ik nog een poging ze bij te houden en hoor ik de stem van mijn oude trainer in mijn hoofd.
`Doorgaan, doorgaan.`
Als het gat steeds groter wordt haak ik af. Het zwemmen is geen wedstrijd meer, ik mag nu zwemmen in mijn eigen tempo.
De jonge meid, van zeker veertig jaar jonger, had het me net verteld.

Enquête

`Ik zie dat u weet wat u wilt,` hoor ik een vrouwelijke stem achter mij zeggen. Ik sta in de Jumbo in winkelcentrum Brazilië in Amsterdam Oost voor het schap van de zuivel en heb net een plantaardige yoghurt uit de koeling gehaald. Terwijl ik de yoghurt tussen de bananen, dadels en speltmeel in het helgeel gekleurde mandje leg, draai ik me om. Een vrouw staat in het midden van het pad en houdt een tablet voor haar buik.
`Zou ik even iets van uw tijd mogen snoepen,`een vriendelijke lach siert haar gezicht, ze kijkt naar het pak zuivel in mijn mandje. Ik glimlach om deze uitspraak, `tijd snoepen` dat hoor ik niet veel, het is een aparte combinatie. Ik stel me voor hoe de tijd zal smaken, vast zoet en glibberig zoals de tijd langs je heen kan glijden.

De vrouw die voor me staat is van middelbare leeftijd en is degelijk en gepast gekleed, wat misschien wel hoort bij haar werk en haar leeftijd, net als de zin die ze daarnet heeft uitgesproken.
`Het duurt maar even, een kleine enquête.` zegt ze, ondertussen knikt ze fanatiek met haar hoofd. Het lijkt erop alsof ze me wil verleiden tot het knikken van een `ja`. En mocht ik dan, wel of niet per ongeluk, met mijn hoofd in haar beweging meegaan ze van een `ja` verzekerd is.
Ze kijkt me verwachtingsvol aan.
Ik kan haar niet teleurstellen en waarom zou ik? Ik heb de tijd.
`Prima,` zeg ik.
Het lijkt alsof ze niet is voorbereid op een `ja` omdat ze zenuwachtig begint met het opstarten van de tablet. Ondertussen houdt ze me op de hoogte van elke handeling die ze verricht, als een goede dokter bij een onderzoek.
Ik wacht en luister.
Na vijf minuten komt de eerste vraag. Ik ben er klaar voor.
Het beloofde `even` groeit uit tot een kwartier. De tijd tikt verder en blijft zo af en toe hangen waardoor het een eeuwigheid lijkt. Het einde van het gesprek lijkt voorlopig niet in zicht, mijn mandje heb ik op de grond gezet en hip van het ene op het andere been. Al de dingen die ik nog moet doen lijken plotseling heel belangrijk, ik wil hier weg, naar buiten, frisse lucht happen, ook als is het koud en guur. Steeds meer mensen passeren ons, ik wil met ze meelopen richting de kassa, ze heeft genoeg van mijn tijd gesnoept.

`Kiest u meestal voor hetzelfde product?` het is de tweede keer dat ze me deze vraag stelt. Ik geef geen antwoord en wacht totdat ze zelf achter deze fout komt en me aankijkt. Maar ze wordt zo in beslag genomen door het apparaat, dat ze mijn aanwezigheid vergeten lijkt te zijn. Fanatiek drukt ze met een repeterend vingertje op de tablet en heeft zich zover voorovergebogen dat het lijkt alsof ze er in wil kruipen, het gevecht wil aangaan met dat `ding` wat niet doet wat zij wil.
`Goh, wat stom, shit, kut, verdomme.` klinkt het onverwachts uit haar mond.
`Gaat het?` vraag ik.
`Ja hoor, hoe oud bent u?`
`Hoort dat ook bij de enquête?` vraag ik.
`Dit is de laatste vraag van de enquête, dat weet ik,` ze houdt haar hoofd iets schuin en kijkt me aan.
`En de andere vragen, ben je die kwijt?`
`Die vind ik thuis wel,` haar woorden overtuigen me niet.
Ik zeg mijn leeftijd.
`O, grappig, dan zijn we even oud.`
`Ben je niet gepensioneerd?` vraag ik.
Ze negeert mijn vraag en zegt:
`Dank je voor het gesprek, je was de eerste en de laatste vandaag, ik ga naar huis, achter de geranium zitten, lekker rustig. `
Met stevige stappen loopt ze mijn leven uit.

De schoonmaker

Net op tijd kunnen we onze benen optrekken. De schoonmaakwagen rijdt met een brommend geluid rakelings langs onze stoelen. Uit onze monden klinkt tegelijkertijd: `kijk uit`. De man boven op het gevaarte, wat meer lijkt op een kleine tank, hoort en ziet ons niet. Zigzaggend slingert hij door de ruimte, een vochtig spoor achterlatend. Halverwege draait hij met zijn kar en rijdt onze richting weer op, zijn blik reikt niet verder dan de grond, zijn vooruitziende blik is ver te zoeken.
`Ho,` schreeuw ik naar hem terwijl ik begin te zwaaien hopend dat hij mij vanuit zijn ooghoek ziet. Net op tijd zwaait hij af en rijdt richting de muur, voordat hij uit ons zicht verdwijnt schreeuwt hij boven het gebrom uit:`Ik heb geen toeter,` een brede lach verschijnt op zijn gezicht. Hij doet me denken aan een jongetje in de botsautootjes die plezier heeft in het net ontwijken van een andere botsauto.

Ik schiet in de lach, ach het was ook een welkom moment van afleiding, er waren minuten voorbij gegaan dat ik me niet bewust was van de tijd, dat ik het wachten niet als wachten voelde. Even was ik vergeten waarvoor ik hier ben en had dat samentrekkende gevoel in mijn maagstreek niet om mijn aandacht gevraagd. Het was een bekend gevoel wat de kop opstak als ik me bevond in dat ongewisse gebied wachtend op het moment van ontlading.

Toen we aankwamen op Schiphol zagen we dat het vliegtuig uit Turkije al geland was. Onze zoon zou terugkomen van twee maanden Zuid-Afrika en vloog via Ankara. De keren dat we hem wegbrachten en ophaalde zijn niet meer op één hand te tellen. Zijn eerste reis was als jongentje van tien jaar, in zijn lagere school periode. Hij ging naar Turkije in het kader van een uitwisseling. Daarna volgde Portugal, Bolivia, vele malen Spanje en nu naar Zuid-Afrika. Het zijn momenten die ons als ouders weer samenbrengt. Waar we weer even pappa en mama zijn in gespannen afwachting van ons kind, die ondertussen een volwassen man is geworden.

Er is één uur voorbij gegaan. Plukjes mensen komen door de deur, die sluit zodra de stroom stopt.
Ik bel mijn zoon. Een hard ondergronds gegrom klinkt in mijn oor, het is zijn welkomstgroet op het antwoordapparaat.
`Misschien hebben ze het vliegtuig gemist,` fluister ik.
`Ik moet even naar de wc,` zegt de vader van mijn zoon.
`Ben je snel weer terug?` zeg ik.
Ik hoor mijn stem, hij lijkt te wankelen. Het is zo’n stem die eigenlijk wil dat de ander blijft maar waarvan je weet dat hij gewoon gaat. Het is een oud gevoel wat boven komt drijven. Het verbaasd me hoe snel je in een oud patroon kunt terugvallen zodra je weer dingen met elkaar doet, die met `toen` te maken hebben. Na tien minuten is hij terug en hoor ik een diepe zucht uit mijn mond ontsnappen.

Er gaat een mobieltje af, zijn vader neemt op.
`O,` waar dan?` zegt hij terwijl hij om zich heen kijkt, ik volg zijn blik en boven de menigte zie ik het lachende gezicht van mijn zoon.
Even later volgt een omhelzing, een zoen.
Hij is weer thuis.

Als we richting de trap lopen, komt de schoonmaakwagen opnieuw onze kant oprijden, alsof hij op ons heeft gewacht.
`Geen toeter,` roept hij opnieuw naar ons met een grote lach op zijn gezicht en zwenkt net op tijd af.
Ineens snap ik het.
Hij mist de botsautootjes op de kermis.

1 2 3 9