Zielenpijn

Het is een grijze dag, de regen komt met bakken uit de hemel. Fietspaden zijn een tapijt van bladeren en de bomen hebben hun groene kleur verloren, takken zijn kaal gewaaid. De herfst doet zijn naam eer aan.

Elke donderdagmiddag volg ik colleges filosofie in de Thomaskerk in het zuidelijk deel van de stad. Ik bereid me voor op een tocht door de regen, regenjas met broek, het is een klein uurtje fietsen. Deze middag gaat het over verdriet en depressie. Het onderwerp heeft zich aan het weer aangepast, of andersom, het is maar van welke kant je het bekijkt.

Voorafgaand aan de les denk ik na over dit onderwerp. Ik ben een gezegend mens, ik heb weinig last van depressieve gevoelens. Verdriet ken ik wel, alleen het uiten daarvan heb ik nooit geleerd. Vroeger was het een ‘stil verdriet’, ingetogen gesnotter achter de mouw van mijn pyjama bij het voorlezen van een verdrietig boek.

Ik heb er vijftig jaar over gedaan voordat ik ongegeneerd en zonder schaamte mijn verdriet kon uiten. Ik ben het gaan waarderen, het geeft lucht, bevrijd en verbindt. De keren dat ik mijn tranen toonde aan een ander draag ik als een mooie herinnering met me mee. Tranen die over mijn wangen heen stoomden en een troostende hand die ze opving.

Ik fiets door de stad en denk aan mijn zoon die me op een vroege zaterdagochtend huilend opbelde. Een vriendin had die nacht een ongeluk gehad en lag in kritieke toestand op het IC van het AMC ziekenhuis. Jaren had ik geen tranen van hem gezien. Toen hij me weer belde waren het tranen van opluchting, ze heeft het gered.
Mijn gedachten gaan uit naar de laatste keer dat ik mijn tranen aan hem liet zien. Het was geen vluchtige ontroering die ik weg kon slikken maar een stroom aan emoties die nog uren nasudderden.
Het was afgelopen winter. We waren met vakantie op Kreta in Griekenland, het was de ochtend van zijn vertrek. We hadden de avond daarvoor ruzie gehad. Zijn woorden hadden me diep geraakt. Die ochtend bij het afscheid huilde ik.

Als ik aankom bij de Thomaskerk in Zuid regent het nog steeds. Vanaf mijn capuchon mengen de regendruppels zich met mijn tranen en glijden ze langs mijn wang naar beneden. De herinnering aan die ochtend laten mijn tranen weer stromen.
Ik ben klaar voor het college over verdriet.

Zo’n dag

Ik parkeer mijn fiets voor de Jumbo van het winkelcentrum Brazilië. Terwijl ik met mijn slot bezig ben komt er een jongeman ‘te dicht’ bij me staan.
‘Een gratis Parool, mevrouw?’ vraagt hij.
‘Nee,’ antwoord ik.
Hij doet een stap achteruit.
‘Een gratis Parool meneer?’ roept hij naar en een man die ons passeert.
De man reageert niet.
‘Een Parooltje, mevrouw?’ vraagt hij, opnieuw komt hij ‘te dicht’ bij me staan.
‘Ik zei ‘neen.’
Deze jongen werkt op mijn zenuwen, ik kijk hem met een vernietigende blik aan, als blikken hadden kunnen doden…
Het lijkt hem niets te doen, draait zich om en roept tegen een vrouw die verderop loopt.
‘Gratis Parool, mevrouw?’

Als ze op zijn aanbod ingaat zal hij meteen beginnen met zijn verkooppraatje. Dat is de rede waarom ik nooit een gratis krantje neem. De rollen worden meteen omgedraaid en ik moet de verkoper ervan overtuigen dat ik geen proefabonnement wil.
‘U kunt toch bijna niet zonder een echte Amsterdamse krant?’ zou hij zeggen.

Het is niet mijn dag vandaag. Met mijn verkeerde been…zoiets moet het zijn.
Het is zo’n dag waarop ik niets kan hebben en dan komt er zo’n arrogant knulletje tegen mij aan lopen zeiken met zijn miezerige krantje. Mijn humeur is tot het nulpunt gedaald.
Snel boodschappen doen en thuis op de bank met een kop thee een serietje kijken. Alsof dat helpt, nee dus, ik zal me alleen maar schuldig voelen dat ik wat voor de tv hang en niets nuttigs doe.
Schrijven, zal ik daar mijn rothumeur mee oplossen? Natuurlijk niet, mijn ervaring is dat ik met zo’n humeur geen letter op papier krijg, het zal me alleen nog meer frustreren. Ik las ooit in het tijdschrift ‘Schrijven’: ‘Schrijf nooit met een rothumeur want het sijpelt door in de taal en dan worden de zinnen minder mooi’.
Maar wat dan?
Misschien een programma kijken wat het leed van anderen etaleert, dat kan me wel is helpen. Waarom doe ik zo mijn best om me niet ongelukkig te voelen en accepteer ik niet gewoon dat het weer ‘zo’n dag’ is?

Terug van boodschappen sjouw ik met mijn fietstassen richting mijn fiets en loop langs de jongen.
‘Een Parool, mevrouw?’ hoor ik achter me.
Ik reageer niet meer.

Thuisgekomen plof ik neer op de bank met een kop thee. Witske, één van mijn poesen, heeft zich onder mijn kin, op mijn borst genesteld, zijn ruwe tongetje likt mijn hand, ze maakt een spinnend geluid. Ze geniet van mijn nabijheid en ik kan dit moeilijk verstoren door op te staan. Ik blijf zitten en wentel mij in mijn ‘ongelukkig zijn’ en moet nu wel accepteren dat het mijn dag niet is vandaag.
Morgen is alles weer anders.

Tijd

De ware tijd komt pas tot leven als de klokken zwijgen.
William Faulkner.

Tijd.

Vandaag heb ik alle tijd.
Ik fiets de stad uit, langs de Amstel richting Ouderkerk. Mijn nieuwe Rih-fiets maakt het trappen lichter, ik fiets regelmatig Waterland in, om langs het IJsselmeer terug te fietsen. Ik hou van de weidsheid van het water, het gevoel van vrijheid wat ik ervaar als ik de vogels in een zwerm boven mijn hoofd vliegen. Vandaag gaat mijn fietstocht naar het zuidelijk deel van de stad, waar een ander stuk van mijn leven ligt.

Halverwege mijn tocht strijk ik neer op een bankje aan de Amstel.
Het zonlicht schittert over het water en er ontstaan flikkerende sterretjes, als vuurwerk. Ik kijk naar de wolkjes die door de wind langs me heen worden geblazen, het riet dat zich laat meevoeren. Twee eenden tegenover elkaar, reiken hun hals ver boven het water uit, bewegen naar voren en naar achteren, een rituelen dans. Plotseling duikt één van hen onder water om verderop weer op te duiken, de ander volgt. Het schouwspel van de natuur, het maakt me stil van binnen, ik zink weg in een gevoel van tevredenheid.
De tijd staat even stil.

Het is mijn innerlijke tijd die ik meestal ervaar als ik alleen ben, een wandeling langs de zee maak, of me laat omringen door bomen, of zoals nu zittend op een bankje langs de Amstel.
In de natuur kom ik het dichst bij de tijd die eventjes lijkt stil te staat.

De tijd. Ik denk aan mijn periode van afzondering in Zuid- Frankrijk. In die periode was ik me niet bewust van de tijd en moest ik me inspannen om erachter te komen wat voor een dag het was, een woensdag, donderdag of misschien toch vrijdag?
Ik was toen uit de wereld van de tijd gestapt en kon de rijkdom van mijn innerlijke tijd ervaren. Het bracht me rust en inspiratie.

Even later fiets ik verder langs het kronkelende water van de Amstel, door Ouderkerk, richting Abcoude, het dorp waar een deel van mijn leven ligt. Het stukje groen is er nog. Ik denk terug aan ons zondagochtendritueel, fietsend vanuit Abcoude met mijn zoontje voor op de fiets, om het paard met veulentje gedag te zeggen. Het weiland is nu leeg.

Rond vier uur nader ik de stad, op de Berlagebrug kom ik in een fietserfile terecht en wordt ik meegenomen met de snelheid van de stad. De tijd die zo langzaam aan me voorbij trok is nu weer sneller gaan tikken. Het blijft een kunst om een evenwicht te vinden tussen de persoonlijke en de kloktijd.
De tijd zal het mij leren.

De weg kwijt

Vanuit mijn raam op de vijfde etage heb ik een mooi uitzicht over het water van het Buiten-IJ. Op het pad dat er langs ligt worden honden uitgelaten en komen wandelaars en fietsers langs, die soms een pauze nemen op de bank of aan de picknicktafels die daar staan. Niets bijzonders. Tot die woensdagochtend.

Het is een zonnige woensdagochtend, ik zit aan mijn bureau te schrijven. Ik ben in een euforische stemming, het einde van mijn derde verhaal is in zicht. Het blijft altijd een worsteling om een slot te verzinnen.
Rond de picknicktafel zijn drie mensen gaan zitten, ze hebben een wijde cape aan met een capuchon. Drie fietsen staan tegen een boom geparkeerd. Een van hen staat op en gaat onder het boompje op haar hurken zitten en doet een plas. De rol wc papier tekent wit af tegen het zwart van haar cape.

Niet veel later staan ze op, pakken hun fiets en lopen achter elkaar richting het pad. Het is geen normaal loopje maar ze trekken hun benen tegelijkertijd tot boven de knie op. Op het pad aangekomen stappen ze op de fiets, draaien vijf rondjes op het asfalt en fietsen daarna, in een rechte lijn, richting het zuidelijk deel van het eiland. Halverwege het pad draaien ze om en fietsen terug om onder de brug te verdwijnen. Het duurt even voordat ze aan de andere kant tevoorschijn komen en een afslag nemen. In de bocht steken ze hun hand uit, kaarsrecht blijven hun armen seconden lang in de lucht hangen. Ze fietsen richting de Amsterdamse brug.

Meestal zit ik rustig in mijn werkkamer wat naar buiten te staren naar de vertrouwde taferelen, wat weg te mijmeren, of zoekend naar de volmaakte zin, die ik nooit vind omdat ik er zo naar op zoek ben.
Het laatste kwartier heb ik met verbazing gekeken naar het schouwspel wat zich voor mijn neus afspeelde. Deze mensen hadden me verrast, verbaasd en me achtergelaten met vragen die nooit beantwoord zullen worden.

Zeg nooit…
Als ik een kwartier later richting oost fiets, ligt onder de brug het antwoord. Drie vrouwen staan in een kringetje over iets heen gebogen, ze hebben hun capuchons afgedaan.
Ze kijken me lachend aan als ik stop en ze groet.
‘Misschien kan zij het doen?’ zegt de middelste vrouw tegen de anderen.
Ze kijken me alle drie verwachtingsvol aan.
‘Wat?’ vraag ik.
‘Eén scene staat er nog niet goed op, misschien wil…’
‘…ohhh, jullie zijn aan het filmen!’ onderbreek ik haar blij verrast met het antwoord. Waarom heb ik dit niet gezien?
‘Wat dacht jij dan?’ vraagt een van de vrouwen.
‘Dat jullie de weg kwijt waren?’
‘De weg kwijt of verdwaald?’
‘Van allebei een beetje,’ zeg ik.
‘We maken een filmpje voor een vriendin, één scene wil maar niet lukken,’ zegt de middelste vrouw en houdt een iphone omhoog. Niet veel later heb ik de scene op beeld, de drie vrouwen, fietsend om de hoek met hun armen als wegwijzer in de in de lucht. Ze kijken tevreden naar het schermpje.

Ik neem afscheid en fiets richting de sluizen, links van de weg is Niek Konijn BV met zijn machine de grond aan het bewerken voor de Sluisbuurt, een nieuwbouwwijk die er gaat komen, rechts liggen de Oranjesluizen. Het is een omweg naar oost maar ik fiets graag op de dijk langs het water.
In de verte ligt de Amsterdamse brug, als ik hem nader zie ik de vrouwen fietsen, in een rijtje, de wind speelt met hun zwarte cape, een prachtig beeld voor hun filmpje.

Zwanen

Het is een leuke fietstocht vanaf het Zeeburgereiland naar het Waterlandplein in Amsterdam-Noord. De Wijkergouw is een landelijk weggetje, met een bol bruggetje over een slootje waar eenden, en sinds kort een zwanenechtpaar met hun vijf babyzwanen zwemmen. De rij huizen die er staan hebben een mooi uitzicht op een weiland met schapen en lammetje die dartelen in het weiland en bij hun moeder drinken, met hun snuitje stoten ze tegen de uiers.

Met beladen fietstassen fiets ik terug naar huis, vanaf de drukke weg het rustige pad op. Ik moet afremmen voor een boerderijwoning, midden op het pad zit een zwanenechtpaar zich uitgebreid te wassen.
Als ik naderbij kom zie ik de babyzwanen, met hun lichtbruine nestveertjes aan de kant in het zand liggen. Een van de zwanen ontlast zich en spuit poep op het asfalt om vervolgens weer door te gaan met de wasbeurt, zijn snavel duwt hij onder zijn veren. Ze nemen er de tijd voor.

Ik kan twee dingen doen of wachten, of omrijden, ik besluit te wachten, het schouwspel is een aangename afleiding voor de minuten die doortikken. Aan de andere kant staat een jonge vrouw, zij heeft duidelijk haast, ik zie het aan de bewegelijkheid in haar houding. Bij elke stap die ze naar voren maakt laat ze zich afschikken door een enkele beweging van de zwanen.
Ze weet vast ook dat zwanen agressief kunnen reageren als ze jongen hebben. Armen of benen kunnen breken met de kracht van hun vleugels.
Dus ook zij moet wachten op het moment dat het ochtendritueel is beëindigd en echtpaar zwaan besluit te verkassen.
Ik roep naar de vrouw:
‘Durf jij er ook niet langs?’

Natuurlijk weet ik het antwoord maar ik wil even contact. We bevinden ons allebei in dezelfde situatie en het liefst zouden we willen ruilen van plek. Als je gedwongen wordt samen de tijd door te brengen, wachtend op de tram of trein die uitblijft, maak je sneller een praatje, vaak gaat het samen met geklaag over het openbaar vervoer.
Dit is een ander soort wachten we kunnen niemand de schuld geven, het probleem kan niet worden opgelost door mensenhanden of je moet ze wreed wegjagen, maar wie doet dit nou.

Er komt een jongen naast me staan.
‘O,’ is alles wat hij zegt.
‘Ja, ze nemen het ervan,’ zeg ik.
‘Dat doen ze nooit!’ er klinkt een lichte verontwaardiging door in zijn woorden.
Hij kijkt me aan.
‘Ik slis een beetje, ik heb net een beugel gekregen.’
‘Ik hoor niets,’
‘O, dat is mooi,’ zegt hij.
‘Woon je hier?’
‘Ja, daar.’
Hij wijst naar het huis een paar meter verderop.
‘Ik rij wel om,’ zegt hij en fietst weg.

De zwanen zijn klaar met hun wasbeurt maar maken geen aanstalten om te vertrekken en zinken neer op het asfalt. Een man komt met grote snelheid aanfietsen en fiets langs de zwanen, een zwaan stijgt op, wappert met zijn vleugel, begint te blazen en hap naar zijn voet die hij op een haartje na mist. Direct daarop volgend komen er twee mannen aangereden in een scootmobiel, ze doen wat spottend over ons wachten en ook zij rijden met een rotvaart langs de zwanen.
‘Stelletje lomperiken,’ denk ik.

‘Je kunt voorzichtig door het gras lopen, met je fiets ertussenin,’ roep ik naar de vrouw. Ze probeert het maar laat zich opnieuw afschikken als de zwaan gaat staan. Na een tijdje besluit ik toch de omweg te nemen.
‘Dag, succes,’ ik zwaai naar de vrouw.
Ze steekt haar hand op.

Voordat ik afsla kijk ik om en zie dat de vrouw langs de zwanen is gelopen. Dat ze alleen achterbleef moet haar net dat zetje hebben gegeven.
‘Bedankt hoor, ik moet ervandoor, ben al veel te laat,’ zegt ze terwijl ze haastig langs me fietst.
Ik kijk nog één keer achterom en tot mijn verbazing zie ik dat het pad leeg is. Ik fiets terug, het zwanenechtpaar laat zich op hun gemakje de sloot inglijden, hun kroost volgt, het is tijd voor zwemles.

Rustig de tijd nemen voor het ochtendritueel, zoals zwanen doen, past bij mij. Maar je door niets of niemand laten (ver)storen, daar kan ik nog wel iets van leren.
Ik fiets op mijn gemakje richting huis.

Toerist

Bij de van Eehgenstraat kom ik het Vondelpark binnen en fiets richting het Kattenlaantje. Het is minder zonnig en warm dan de afgelopen dagen en het park is teruggegeven aan zijn dagelijkse bezoekers. Mensen die hun hond uitlaten, hardlopers, snelwandelaars, fietsers die het park doorkruizen op weg naar hun werk, ze zijn weer zichtbaar. De fietsende toeristen blijven in het park komen, door weer en wind met wapperende regencape bestormen ze het park op hun huurfietsen.
Ik rij langs de vijver, de fontein staat aan en spuit met kracht het water omhoog en daalt neer op het wateroppervlak. Ik hou van het geluid van het vallende water.

Een vrouw komt me tegemoet, ze beweegt zich half lopend, rennend mijn kant op maar haar poging snel vooruit te komen mislukt door de hoge hakken die ze draagt. Ze houdt haar hand omhoog, ik stop en haal mijn oordopjes uit mijn oren, de muziek speelt op de achtergrond verder.
`Damrak, is dat die kant op?` vraagt ze.
Ze wijst naar de uitgang van de P.C. Hoofdstraat.
`Nee, je kunt tram één pakken op de Overtoom.’ ik wijs richting het Kattenlaantje.
`Dan hebben ze me verkeerd gestuurd.`
Ze begint zenuwachtig met haar mond te trekken.
`Denk je dat ik het zal halen?`
`De tram gaat elke tien minuten.`
`Zal ik op tijd zijn?`
`Hoe laat moet je waar zijn?`
`Om elf uur moet ik de trein halen op Sloterdijk.`
`Dan kun je het beste de bus of metro nemen.`
`Maar ik moet eerst naar het Damrak.`
Ik kijk haar niet begrijpend aan.
`Ik moet mijn koffer in het hotel ophalen en dan naar de trein.`
`Hoe laat is het nu?` vraag ik.
Ze kijkt op haar horloge.
`Negen uur.`
`Heb je de koffers al gepakt?`
`Ja.`
Als vanzelf heb ik de moederrol op me genomen, hij past me nog prima.
`Ik loop wel even met je mee dan wijs ik je de tram. Vanaf het Damrak neem je de tram naar CS daar kun je de trein naar Sloterdijk pakken, dat moet lukken.`
`Weet je het zeker?`
`Niets is zeker.` zeg ik.
Ondertussen lopen we richting het Kattenlaantje.
Met snelle stapjes probeert ze me bij te houden, haar hakken brengen haar uit evenwicht.
`Waar ga je naar toe?`
`Naar Parijs.`
We komen aan bij het Kattenlaantje waar we bijna omver worden gereden door een fietser. Ze weet zich staande te houden door mijn arm te pakken.
`Leuk hé, Amsterdam?`
`Ja`, zegt ze volmondig.
Aangekomen bij de Overtoom wijs ik haar de halte van de tram.
Ze kijkt me aan, haar lip trilt een beetje.
`Je gaat het vast halen,` stel ik haar gerust. Even denk ik erover om haar verder te begeleiden, ze lijkt zo hulpeloos, maar ik heb een afspraak met een vriendin. Maar toch…
‘Gaat het lukken?’ vraag ik.
`Dankjewel.`

Ik laat haar achter bij de halte en zie in de verte de tram aankomen rijden, een man rent langs haar, dan pas begint ze ook te rennen. Het licht spring op groen en ik steek over. Als ik weer omkijk is de tram weg en de halte leeg. Ik zucht.
`Gelukkig ze heeft het gehaald`, hoor ik mezelf zeggen.

Ik koop een bos bloemen bij de stal op de Overtoom en loop terug naar het zebrapad om over te steken.
Er gaat een schok door me heen, de vrouw, ze staat aan de overkant naast een oudere man, hij houdt het portiek van een BMW voor haar open, zijn hand rust op haar rug. Niet veel later voegt de auto zich in het verkeer en verdwijnt uit het zicht. Het licht springt op groen en ik steek over met mijn gedachten nog bij de vrouw en kan alleen maar hopen dat ze Parijs zal halen.
Ik zal het nooit weten.

Overlast

In mijn vorige woning hoorde ik mijn buurman uitgebreid gapen in de ochtenduren, telefoneren en lopen als hij zijn schoenen aanhad. Regelmatig kwam er een echtpaar op bezoek. Altijd op het moment van een vredig thuis zijn, werd ik wakker geschud door hielen en hakken op het laminaat. Gebrom drong mijn kamer binnen met uithalen van luid gepraat en een hard gelach. Het leek alsof hun bezoek bij mij op de bank was neergestreken. Ik kon niet voorkomen dat de geluiden mijn humeur beïnvloedden en mijn tijd bepaalden, wachtend op het moment dat ze zouden vetrekken. Met deze leefgeluiden moest ik zien te leven, we woonden in slecht geïsoleerde woningen.

Maar iets anders viel wel op te lossen. Al een tijd ergerde ik me aan het kletteren van de metalen vuilnisbak op het balkon, vooral rond etenstijd was het spitsuur. Toen ik op een dag in alle vroegte gewekt werd door dit irritante geluid, werd het tijd iets te ondernemen.
Ik sprak mijn buurman erop aan.
’Wat dacht je van een geluidsvriendelijke vuilnisbak,’ grapte ik nadat ik vertelde van het geluid van de vuilnisbak in de vroege ochtend.
Hij keek me een beetje verdwaasd aan.
‘Ik wil hem wel kopen,’ ging ik verder.
‘Dat is niet nodig,’ zei hij.
Het was een week stil, daarna leek het alsof ons gesprek nooit had plaats gevonden.

Het frustrerende was dat het geluid van de vuilnisbak niet meer op zichzelf stond, maar samenviel met een gevoel van machteloosheid, een monster wat onder mijn huid kroop en vreemde dingen deed met mijn geest. Het was een ondraaglijk idee dat mijn buren niet bereid waren iets aan het probleem van de overlast te doen, terwijl de oplossing zo voor de hand lag. Elk keer als ik wakker schok, schoot ik in een kramp en wenste ik dat ik mijn mond had gehouden.

Waarom vertel ik dit verhaal? Mijn ervaring van toen is ver weggezakt maar het komt weer bovendrijven als een vriendin verteld dat ze last heeft van haar buren. Ze wordt regelmatig wakker van hard gebonk boven haar hoofd. Ook zij dacht dat de problemen waren opgelost na gesprekken, maar niets is minder waar, na een tijd begon het gebonk weer en bleef aanhouden.

Ik ben verhuisd, omdat ik naar een goed geïsoleerde woning wilde, in een rustige buurt. Het is me gelukt omdat er iemand boven me woont die haar woongenot even belangrijk vind als mijn woongenot. Op deze manier kun je vredelievend naast elkaar leven. Maar wat een pech, wat een verdomde pech, als je buren treft die ‘dit’ niet in zich hebben.

Sisi

Voor het appartement dat ik huur op Kreta ligt verspreid over de buitenruimte een tapijt van kunstgras, de regenbuien hebben het groen doen verbleken. Het tapijt loopt langs een muurtje en is rond een boom gedrapeerd, zijn wortels duwen de bedekking omhoog. In de tuin aan de andere kant van het muurtje woekert het onkruid er tierig op los, zijn de struiken uitgegroeid tot bossen en staan de potten met planten verspreid over de tuin en terras.

Rond negen uur in de ochtend komt de zon om de hoek kijken en zink ik neer in één van de plastic stoelen en lees. Voor tien uur is het stil, hoor ik enkel het getjilp van de vogels en heb ik de bergen,  gehuld in mist,  als uitzicht. Rond tien uur trekt de mist op en wordt Sisi wakker. De stilte wordt verbroken door, hameren, boren en het gehuil van een schuurmachine. Boven op een gebouw in wording, staan mannen en klinkt het drillen van een boor. De Griekse muziek schalt uit een transistor en is alleen te horen als de andere apparaten zwijgen.
Sisi maakt zich op voor het zomerseizoen.

Ik wen aan de geluiden en kijk op als er een ander geluid doorheen breekt. Het lijkt alsof ik midden in een Western terecht ben gekomen waar paarden over de prairie draven. Binnen enkele seconde komen schapen en geiten de tuin van de buren binnenrennen, geen plekje blijft onbezet. Ze doen zich te goed aan al het lekkers, sommige geiten pikken een terrasje mee en knabbelen aan de planten in de potten die voor het huis staan.

Rond het middaguur loop ik naar het bakkertje op de hoek en drink daar een koffie latte en luister naar radio één. Daarna wandel ik langs de zee, die met geweld tegen de rotsen slaat, ik ben de enige bezoeker. Als ik op de terugweg door de lege straten loop, stil en mysterieus, moet ik opnieuw denken aan een Western. Soms bezoek ik een restaurant en eet ik een Griekse salade. Het restaurant is enkel bezet door mannen met snorren die samen rond de tafel het spel Backgammon spelen en raki drinken.

Het appartement en ik kunnen het niet vinden met elkaar. De ruimte voelt beklemmend. Ik ben een ongenode gast, een ongewenste bezoeker. Het is een gevoel waar ik me niet overheen kan zetten.
Elke dag word ik geconfronteerd met het onvermogen tot schrijven. Starend naar de eerste voorzichtige woorden die op het beeldscherm verschijnen, wachtend op iets van betekenis. Ik ben hoopvol opzoek naar de stem in mijn hoofd die mij de woorden influistert. Die prachtige zin die naar boven komt borrelen of dat ene woord wat perfect tussen de andere past.
Het is er niet.

Het raakt een ‘gemis’ in mij, dus komt al het andere ‘gemis’ naar boven. Ik mis mijn vriendinnen, mijn katten, te kunnen zeggen in ‘mijn taal’ dat het even niet gaat. Ik mis…mijn huis, die me als gegoten zit, waar ik mee kan lezen en schrijven.
Het alleen-zijn kruipt onder mijn huid, het jeukt.
Help…ik wil naar huis.

Op negentien februari is het ‘schone maandag’, een Grieks Orthodox Christelijk feest. Ik krijg een uitnodiging van een Nederlandse vrouw om dit samen met haar en haar vriendinnen te vieren. Zij woont een dorp verderop en is mijn contactpersoon, mocht er iets zijn met het appartement. Bij de haven zijn lange tafels opgesteld waaraan mensen zitten te eten en drinken, muziek schalt uit de boxen. Ik eet de heerlijkste Griekse gerechten, drink wijn en praat mijn eigen taal. Bruisend van energie loop ik terug naar het appartement.

Zodra ik terug ben begin ik met opruimen, er liggen ‘te veel’ ongebruikte spullen in een ‘te kleine’ ruimte. Ik zet alle spullen die ik niet gebruik in of op kasten, zet lampen, stoelen, keukengerei op een plek die voor mij goed voelt. De ruimte die eerst zo zwaar op me drukte lijkt lucht te krijgen.
Ik open mijn laptop en schrijf tot het buiten donker wordt en ik de lamp aansteek die op precies de goede plek staat.

Verwondering

Binnenkort komt mijn tweede boek uit met de naam: Gustaafs erfenis.
Daar hoort een verhaal bij.
Het is een tijd geleden dat ik mijn belevenissen op mijn blog zette. De inspiratie ontbrak. Hoe langer de pauze werd tussen het laatste verhaal en een nieuw verhaal, hoe moeilijker het werd, de inkt droogde op, mijn vingers schoten in een kramp en ik had geen oog en oor voor de verhalen die zich aandienden.

Als ik aan een nieuw boek begin kom ik ook zo mijn rariteiten tegen. Starend naar het onbeschreven witte vlak, dat er om schreeuwt om beschreven te worden, is daar dat stemmetje. Bij elk woord, elke zin staat die innerlijke stem klaar om commentaar te leveren.

Bij herschrijven van de tekst heb ik daar geen last van.
Dit is het proces waar ik het meest van geniet, ik kleur de tekst in met een pracht aan kleuren, ik kan spontaan in mijn handen klappen, om een woord, een zin die uit mijn hoofd omhoog is komen borrelen.
In deze fase giet ik de beelden in woorden, kleed de personages aan, ik laat ze iets anders zeggen, een andere weg inslaan of laat ze in het niets verdwijnen.
Het is als het componeren van een muziekstuk. In plaats van een G toch maar een Gis op die plek want dat klinkt net iets beter.

Laatst vroeg iemand aan me.
‘Waar ben jij dankbaar voor?’
Ik twijfelde geen moment.
‘Dat ik me kan blijven verwonderen.’
‘Waarover dan?’
‘Over mijn leven en het leven van anderen.’

Door deze verwondering ben ik gaan schrijven.
Uit een eindeloze nieuwsgierigheid naar het leven van een ander en van mezelf.

Ik heb een leven lang aan verhalen.
Gustaafs erfenis is één van die verhalen en is na de boekpresentatie te verkrijgen op mijn blog.

Lidl

‘Wat zullen we vanavond eten,’ roept een mannenstem door supermarkt Lidl aan de Soerabajastraat. Ik sta bij de groenteafdeling de bloemkool te bekijken en kijk op. Iets verder staat een man van midden in de veertig, in een korte, khaki broek, poloshirt en witte sportsokken in sandalen. In zijn handen een samengesteld pakket. Bij de Lidl zijn verschillende pakketten te koop: tomaten-en groentesoep, curry madras en kruidige couscous. Mijn favoriete is curry madras, maar ik koop het niet vaak omdat er veel toegevoegde suiker in de curry en kokosmelk zit.

Zijn voorkeur gaat ook uit naar de curry madras, hij bekijkt het van alle kanten.
‘Niet zo’n pakket, daar zit te veel troep in,’ zegt de vrouw die naast hem is komen staan, ze is gekleed in een wijde jurk die tot de enkels reikt, daaronder is duidelijk een bollig buikje te zien. Haar voeten, onbedekt, zijn gestoken in dezelfde sandalen. Ook haar stem is niet bescheiden te noemen.
‘Er zit veel groente in, bloemkool, paprika, een tomaat en een citroen,’ zegt de man.
‘Lijkt mij wel oké!’ zegt hij er nog een toontje harder achter aan als ze niet direct reageert.
‘Het gaat om het zakjes curry wat er bij zit en de kokosmelk, die zitten vol suikers.’
Ze heeft er verstand van.
‘Ach dat kan toch wel een keer, misschien eet Lisa dan ook normaal mee.’
‘Lisa eet niet en al helemaal geen producten met suiker, Henk,’ zijn naam spreekt ze langgerekt uit met een vleugje irritatie.
Hij staat nog steeds met het pakket in zijn hand.
‘We kunnen het toch proberen,’ zegt hij zijn stemgeluid is iets gedaald.
‘Je denkt nog steeds dat ze zomaar gaat eten, hé?’ zegt de vrouw, terwijl in een rap tempo van allerlei groente in het supermarktwagentje legt.
‘Je snapt er ook niets van, er is wel wat anders aan de hand met haar,’ gaat ze verder als hij niet reageert.
Hij kijkt in het karretje.
‘Die bloemkool, paprika en tomaten hoeven we niet,’ zegt hij en haalt ze uit het supermarktwagentje terwijl hij het pakket erin legt.
‘Ga je nu toch zo’n pakket nemen?’ ze kijkt hem woedend aan.
‘Doe niet zo moeilijk, gewoon om te proberen.’
Ze lijkt zich plotseling bewust van ogen die op haar gericht zijn, kijkt om zich heen, even ontmoeten onze blik elkaar.
Oké, het is al goed,’ zegt ze nu zachter en loopt richting de broodafdeling.
‘Neem wat van die kleine flesjes water mee,’ roept hij haar na. Ze draait zich om:
‘Is dit niet heel slecht voor het milieu?’
Hij reageert niet.

Ik ben klaar met boodschappen doen en beweeg me richting de kassa. Even heb ik nog staan twijfelen, met een pakket curry madras in mijn handen en besloten het niet te kopen. Ook het echtpaar is klaar en ze sluiten zich aan in de rij naast me.

Ik denk na over hun gesprek. Gek is het wel dat ik in zo’n korte tijd dingen van deze mensen en hun dochter weet die ze waarschijnlijk nooit zomaar zullen vertellen aan familie of vrienden, laat staan aan vreemde mensen die hun dagelijkse boodschappen doen. En toch ben ik en de andere supermarktgebruikers op de hoogte gebracht van de perikelen rond hun dochter, Lisa.
Ik denk nu, dat hun een dochter Lisa anorexia nervosa heeft en dat haar vader denkt dat dit op te lossen is met een pakket curry madras van de Lidl. Maar het is mijn waarneming en of dit de werkelijkheid is, zal ik nooit weten.

De man haalt uit het schap bij de kassa, een zak gemengde noten en legt het op de band.
‘Noten, daar houd je toch niet van?’ zegt de vrouw.
‘Lisa was er vroeger gek op,’ zegt hij.
‘Vroeger is niet nu, Henk,’ zucht de vrouw.
‘Je hebt gelijk, Trees.’
Met een breed gebaar legt hij het zakje noten terug

Als ik ze niet veel later de winkel uitlopen, hij het supermarktwagentje voor zich uitduwend, legt ze haar arm rond zijn middel en zie ik hoe ze even haar hoofd tegen zijn bovenarm vlijt.
Het is zomaar een gebaar, maar toch.

1 2 3 7