Mondkapje

Het loopt tegen één uur. Ik heb boodschappen gedaan en sluit me aan in de rij wachtenden. In de rij naast me staan twee werkmannen, ze dragen een overall, de naam van het bedrijf staat op hun rug. Ze hebben allebei een halve liter melk, broodjes en beleg in hun handen. Voor hen staat een man, hij draagt een zwart mondkapje, de koortjes trekken zijn oren naar voren en kunnen elk moment losschieten, het komt waarschijnlijk door zijn enorme baard die halverwege zijn borst reikt. De man heeft geen haast om zijn boodschappen in te pakken, hij lijkt op iets te wachten.
‘Dat is dan 5 euro 60 meneer,’ hoor ik de kassière tegen hem zeggen.
Plotseling klinkt zijn zware stemgeluid door de winkel.
‘Waarom moet iedereen een mondkappie dragen en een mandje meenemen en hun niet?’
Hij wijst naar de werklui die achter hem staan.

Het was mij niet opgevallen dat de mannen hun mond en neus niet hadden bedekt. Ik wil het ook niet normaal gaan vinden om iemands lach niet te kunnen zien, of een expressie op een gezicht te moeten missen. Ogen kunnen mij niet alles vertellen. Ik mis de glimlach van een onbekende, als we op hetzelfde moment een zakje willen pakken en elkaar weer tegenkomen bij de appels. Of een vrouw die het balkje tussen onze boodschappen zet waartegen ik lach. Een dankjewel samen met een glimlach geeft toch net ietsje meer kleur aan het leven.
Het is niet meer aan een gezicht te zien wat een leuke toevalligheid is of dat een gebaar gewaardeerd wordt. De glimlach of uitdrukking gaat schuil achter een stukje stof.
Vier maanden mochten we zonder een mondkapje, dus ik snap wel dat mensen het vergeten, maar de man met de baard zit op een ander spoor en stoort zich aan het mondkapjesbeleid van de supermarkt.

‘Daar ga ik niet over,’ zegt de kassière.
De man wendt zich tot de kassière van de rij waar ik in sta.
‘We zijn allemaal verplicht om zo’n stom mondkappie te dragen waarom hun dan niet?’
‘Ik ga daar niet over,’ zegt ook deze kassière.
‘Wie dan wel?’
‘Het is 5 euro 60, meneer?’ zegt de kassière voor de tweede keer.
Hij maakt geen aanstalten om af te rekenen. Ondertussen zwelt de rij aan, de mannen zonder mondkapje zwijgen alsof zij hier niets mee te maken hebben.
‘Wij allemaal moeten dat offer brengen waarom hun dan niet.’
De man verheft zijn stem en zwaait met zijn armen.

De bedrijfsleider, een jongeman van midden twintig, keurig in pak, met mondkapje is gearriveerd en stelt zich vriendelijk voor aan de man.
‘Ik ben Jeroen Smitse, de bedrijfsleider, misschien kunt u eerst even afrekenen, zodat de rij kan doorstromen.’
‘Ben jij de bedrijfsleider?’ zegt de man, in zijn stem klinkt ongeloof door.
‘Ja, ik ben de bedrijfsleider en ik wil u graag het één en ander uitleggen, maar u moet eerst afrekenen u houdt de anderen klanten op, dat kan toch niet uw bedoeling zijn!’
De man rekent af en loopt mee met de bedrijfsleider, ik sta op gehoorsafstand mijn boodschappen in te pakken.
‘Ik snap uw verontwaardiging maar we laten het aan de klant zelf om een mondkapje te dragen. Wij mogen niet handhavend optreden,’ zegt de bedrijfsleider.
‘Mogen jullie dat niet?’ reageert de man, er klinkt verbazing door in zijn stem, die een toontje lager is gaan zingen.
Ik kijk naar de mannen en heb oogcontact met de bedrijfsleider. Het waren niet alleen zijn rustige stem en de aardige woorden die de man hadden gekalmeerd maar ook zijn ogen. Ze keken ook mij van boven het mondkapje vriendelijk aan.
De man met de baard voelde zich gezien en gehoord.
‘Die stomme mondkappies, ik heb er zo de balen van en dan zie ik dat hun…’
‘Ik snap u wel, meneer.’
‘Fijn, nou…bedankt,’ zegt de man en steekt zijn hand uit.
‘Een elleboogje dan maar?’ zegt de bedrijfsleider, die zijn elleboog naar voren brengt.

2 reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *