Verslaafd

Genietend van de eerste zonnestralen die door mijn huid heendringen en die mij ook van binnen verwarmen, zit ik op een bankje op het Zeeburgereiland aan de rand van de skatebaan in de Sportheldenbuurt. Het hart van het eiland is vol levendigheid, daar ligt het grootste skatepark van Europa van zo’n 3000 m2, gebouwd op de oude rioolwateringszuiveringsinstallatie. Jong, oud, op stepje of skatebord, ervaren en minder beoefend maken er gebruik van. Er is voor elk een stukje baan waar je kunt oefenen om daarna over te gaan naar het volgende level. Sinds het skatepark er is, is de levendigheid toegenomen op het eiland, de kern is als een bruisend middelpunt van een dorp. Het is plezierig wonen, het past meer bij me dan de drukte van de stad die meer energie van me neemt dan dat het me geeft.

Een jongetje van een jaar of vijf oefent met zijn stepje en haalt het volgende heuveltje net niet en komt op het beton van de baan terecht en huilt. De moeder komt aanrennen en troost hem. Even later lopen ze samen terug naar het einde van de baan, hij gaat opnieuw de confrontatie aan. De eerste twee heuveltjes neemt hij met gemak, dan komt de volgende, die van de valpartij. Hij redt het niet maar laat zijn stepje los die alleen het heuveltje op en af rijdt, het voorkomt een val. Zijn moeder geeft hem een compliment. Met een warm gevoel denk ik aan mijn kleinzoon en sluit mijn ogen.

‘Hallo,’ hoor ik een stem naast me zeggen.
Ik kijk op en zie een jonge vrouw die aan het uiteinde van de bank heeft plaatsgenomen, ze kijkt mij aan, ze heeft bruine ogen, donkere krullen sieren haar gezicht. Vroeger wilde ik zulke krullen, vol, stevig, waar ik mijn verlegenheid achter kon verbergen. Prachtig zijn ze.
Het is stoer meisje, het heeft niet alleen te maken met de blik in haar ogen die me direct aankijken maar ook met haar outfit, ze heeft een spijkerbroek en een zwart gewatteerd jack aan.
Ik knik naar haar.
‘Ik wil u iets vragen?’ zegt ze.
‘Dat mag,’ zeg ik.
‘Wilt u sigaretten voor mij kopen?’
‘Ben je nou helemaal gek geworden?’ is mijn eerste reactie.

De verontwaardiging klinkt door in mijn woorden.
Het gebeurd wel vaker dat ik er iets uitfloep, het heeft altijd te maken met een oprechte verbazing als er iets geks gebeurd en ik hierdoor word verrast. Dan zijn mijn woorden sneller dan de gedachten die ze tegenhouden.

De jonge vrouw zegt:
‘Maar ik heb het geld, ik kan het alleen niet zelf kopen.’
‘Wat denk je nou, dat ik mee ga werken aan jouw verslaving?’
‘Maar ik stop heus wel een keer.’
Er valt een stilte ik kijk haar aan, ze kijkt terug. Ik heb immers nog geen antwoord gegeven op haar vraag. Mijn hersenen kraken.

Ik moet denken aan mijn eigen verslaving aan sigaretten, ik rookte vanaf mijn twintigste en was vijftig toen ik stopte. Het afkicken was pittig, het verlangen naar dat stomme witte staafje, de rook die ik tot diep in mijn longen naar binnen zoog, de ontspanning die volgde, achtervolgde mij.
Net als deze jonge vrouw was ik verslaafd.

Ik kijk haar aan.
‘Als ik dertig ben stop ik,’ zegt ze.
Ik sta zonder iets te zeggen op en loop richting de winkel, ze loopt met me mee en stopt ondertussen tien euro in mijn hand.
‘Ik was vijftig toen ik stopte,’ zeg ik.
‘Vijftig, hoe oud bent u nu dan?’
‘Zeventig.’
‘Nee, zeventig, ik wist dat u ouder was maar zo oud,’
Ze heeft gelijk, zeventig klinkt oud, dat vind ik zelf ook.
‘Ach,’ zeg ik.
We staan voor de winkel.
‘Wat moet ik kopen?
‘Marlboro Gold,’ zegt ze.
Ik loop de winkel in en stap op de balie af om me daar aan te sluiten bij de rij scholieren en voel me weer twintig.

2 reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.