Pijnpoli

Het is lang geleden dat ik rond liep in `het hart` van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis aan het Oosterpark. Om precies te zijn vijfendertig jaar, toen ik werd opgenomen voor een acute blindedarmontsteking. Een jaar daarvoor werd mijn zoon geboren in het Anna Paviljoen, een zijvleugel van hetzelfde ziekenhuis. Er is in de loop van de jaren veel verbouwd en het ziekenhuis uitgebreid. De geboorteplek van mijn zoon is verdwenen, het Anna Paviljoen tegen de vlakte gegaan.

We moeten bij de afdeling pijnbestrijding zijn en nemen de lift naar de vierde etage. Ik ben meegegaan met een kennis die vanmorgen voor de tweede keer een injectie met een verdovend middel in haar hals gespoten krijgt.
`Wat is op dit moment u pijngrens?` vraagt de verpleegkundige.
`Ik kom voor zweten.` antwoordt ze.
Op de afdeling pijnbestrijding hadden ze bij toeval ontdekt dat de injectie tegen de pijn ook baat had bij overvloedig transpireren.

Overmatig zweten is een handicap waar op zomerse dagen moeilijk mee te leven valt. Waar andere zich verheugen op een zonnige dag kan zij verlangen naar de winter.
`Het is hetzelfde als `een opvlieger` maar dan erger.` vertelde ze. Opvliegers, ze gaven me altijd dat onaangename gevoel dat ik er zelf niets over te zeggen had, ze kwamen op de meest ongelegen momenten. Er viel zelf niets in te regelen, een afspraak over te maken, dat gevoel is me vooral bijgebleven. En dan nog erger!!!

Ze zit in een gifgroene stoel die ze met een afstandsbediening in elke stand kan zetten, ik zit op een klapstoeltje naast haar. De kamer is ingericht met aan weerszijde vier van diezelfde stoelen, na de behandeling moet je er nog een half uur nablijven. Ik had al gezien dat je een cappuccino krijgt, uit een `echt kopje`, met een stuk ontbijtkoek verpakt in cellofaan. Zoals je vroeger, een snoepje op een zere knie kreeg of een ijsje nadat je amandelen waren geknipt, zoiets moet het zijn. Het is ook niet niks, een dikke naald die in je nek wordt gestoken.

De man en de vrouw die naast elkaar zijn neer gestreken in de gifgroene stoelen en in afwachting zijn van de prik, delen hun ervaring. Hun partners lijken niet meer te bestaan. Pijn verbindt mensen. Van hun pijngrens was ik al op de hoogte, de verpleegkundige had er naar gevraagd en iedereen had het antwoord kunnen horen.
Waar de pijn vandaan kwam, dat hoor ik nu.
De rug was de boosdoener, die veroorzaakt een ondraaglijke pijn. Bij hun verhalen schiet ik, als vanzelf, even omhoog om mijn rug te ontlasten.

Als we na ons kopje koffie en ontbijtkoek het ziekenhuis verlaten voel ik een pijnscheut in mijn rug en ben blij als het snel weer weg trekt, het zweet brak me even uit.
Leven met pijn of zweten. Even ben ik afgedaald in de wereld van de pijnpoli, een onbekende gebied waarvan ik een glimp heb mogen opvangen.
Mensen ontmoet die veroordeeld zijn tot een driemaandelijkse injectie om de pijn of het zweten dragelijk te maken.

Wat erger is? Dat weet ik gelukkig niet.

Wachten(II)

Ik wacht. Er gebeurt niets. Ik wacht. Ik wacht nog steeds.
Als ik maar lang genoeg blijf wachten. Zal er een eeuwigheid niets gebeuren. (Komrij 1944/2012)

Het wachten duurt nu langer dan één maand.
Ik kijk met een afstand naar mezelf en zie hoe ik omga met deze situatie. Gedurende het wachten heb ik het wonen in de Akropolistoren `te belangrijk` gemaakt. In mijn hoofd is het de meest ideale plek geworden, met een bijzonder uitzicht, een ruime woning in een vredelievende woongemeenschap waar ik …enz.
Het zijn gedachten die in mijn hoofd kruipen…maar zijn ze ook waar? Wat zou er gebeuren als ik ze gewoon liet passeren, als iemand die langsloopt, misschien even aanwipt en daarna weggaat, verdwijnt. Ze krijgen geen kans meer rond te dolen in mijn hoofd en kan ik rustig achterover leunen.

Ruim één jaar geleden was ik tevreden met mijn nieuwe huis en dacht ik niet aan verhuizen. Er veranderde iets toen ik lid werd van de vereniging, mensen leerde kennen van deze woongemeenschap en de toren zijn weg naar boven baande en het hoogste punt bereikte. Maar helemaal, toen ik hoorde dat er een woonwijk voor mijn huis zou oprijzen, de bomen voor mijn huis gekapt zouden worden en er torenhoge flats zouden worden gebouwd.
Ze zijn nu al begonnen met het afgraven van de grond, het vrachtverkeer rijdt af en aan.
Dit was het moment dat de hoop op een woning in de toren een beginnetje maakte en zich steeds meer uitbreidde.

Toen ik op acht mei, voor tien uur in de ochtend, de gegevens en mijn voorkeur voor de woning doorgaf is het wachten begonnen. Hoe meer tijd erover heen ging, hoe meer mijn verlangen werd aangewakkerd, wachtend op de bevrediging van het verlossende woord, dat ik eindelijk krijg wat ik zo graag wil.

Als vroeger bij ons thuis het weekblad de Donald Duck op de gangmat viel mocht mijn broer hem als eerste lezen, daarna ik. Daar zat hij dan lezend in zijn Donald Duck en ik maar wachten tot hij hem uit had, wat natuurlijk een eeuwigheid duurde. Hoe langer ik moest wachten hoe meer ik naar die Donald Duck verlangde. Zat ik dan eindelijk op de bank met mijn begeerde Duck, viel het altijd tegen. Met mijn gedachten had ik mijn verlangen veel groter en belangrijker gemaakt.

Dus…ik doe een stapje terug, maan mijn hoofd tot stilte, ga niet aan de loop met mijn fantasieën, mijn ideeën, mijn verbeelding en vertrouw erop dat het leven voor mij die beslissing maakt die goed voor mij is, wat heb ik er nu eigenlijk over te zeggen, helemaal niets.

Ik loop regelmatig langs de Akropolistoren die klaar is voor oplevering en wacht op zijn eerste bewoners. Als ik op het bankje voor de toren zit aan het Buiten-IJ en uitkijk over het water dan weet ik het ineens zeker dat de toren mijn nieuwe woonplek zal worden maar ik ga er niet meer mee aan de loop, ik blijf lekker zitten.

Wordt vervolgt…

Wachten(I)

Ik wacht, wacht en wacht.
Wachten is een oefening in geduld en vertrouwen.

Het leven heeft me getraind in het wachten.
Het wachten op een examenuitslag, een uitslag van een onderzoek in het ziekenhuis, of het wachten op die gedroomde baan. Het wachten op een geliefde die maar niet kan besluiten of hij wel of niet door wilde gaan met de relatie. Te vaak heb ik moeten wachten op een trein of bus die maar niet kwam, door een ongeluk, of een sprong voor de trein. Er zijn zoveel verschillende wachtmomenten geweest.

Op het wachten heb ik weinig invloed, ik bent overgeleverd aan de ander die het wachten voor mij oplost. Wel kan ik het wachten opgeven, door weg te gaan, iets af te blazen of zelf een punt te zetten achter een relatie. Ik loop dan wel de oplossing mis  dat het wachten in zich meedraagt en mijn wachten wordt nooit beloond.
Ik wacht.

Wachten. Ik heb ooit een vriend gehad die altijd een kwartier te laat kwam, altijd dat ene kwartier te laat.
Toen we een kwartier later afspraken, kwam hij weer dat ene kwartier te laat. Later begreep ik het, hij wilde gewoon dat ik dat ene kwartier op hem wachtte, een kwartier langer zijn aandacht had, een kwartier langer naar hem verlangde.

Wachten. Ik wacht al `te lang` op de uitslag of ik wel of niet in aanmerking kom voor een woning aan het Buiten-IJ.
Een unieke plek aan het water.

In het begin was ik er van overtuigd dat er snel een bericht kwam. Toen het `te lang` duurde ben ik op zoek gegaan naar de rede van het lange wachten. Zodra ik dit wist begon het wachten opnieuw, met het verschil dat ik meer geduld en vertrouwen had. Totdat het geduld weer was opgebrand en het wachten weer begon en ik opnieuw op zoek ging naar een antwoord wat me gerust kon stellen.
Nu, na drie weken wachten- het lijkt ineens zo kort- is er een soort van rust over me gekomen en het besef dat ik niets anders kan dan berusten in het wachten en het vertrouwen hebben dat het goed komt.

Wordt vervolgd…even wachten nog.